ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2711

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-3831 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZiektewetArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering ziekengeld wegens geschiktheid voor passende functies

Appellante werd in juni 2004 wegens hoge bloeddruk ongeschikt voor haar werk als schoonmaakster. Na een wachttijd van 104 weken werd haar per 31 mei 2006 geen WIA-uitkering toegekend, omdat zij geschikt werd geacht voor functies waarmee zij meer dan 65% van haar oude loon kon verdienen.

In augustus 2007 meldde zij zich ziek vanuit een werkloosheidsuitkering, waarna zij ziekengeld ontving. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek werd zij per 30 mei 2008 hersteld verklaard en stopte het ziekengeld. Dit besluit werd in bezwaar gehandhaafd en de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en het uitvoerig gemotiveerde rapport van de bezwaarverzekeringsarts, waarin is vastgesteld dat appellante geschikt is voor twee functies die als maatstaf arbeid gelden volgens artikel 19 Ziektewet Pro. De Raad ziet geen reden voor een aanvullende arbeidskundige beoordeling en bevestigt de aangevallen uitspraak zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld omdat appellante geschikt is voor passende functies.

Uitspraak

09/3831 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante] wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 17 juni 2009, 08/1074 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 27 april 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. S.T. Dieters, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2011. Appellante is verschenen bij gemachtigde mr. Dieters. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.H.M.H. Swarts.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante is in juni 2004 wegens klachten in verband met hoge bloeddruk ongeschikt geworden voor haar werk als schoonmaakster. Met ingang van 31 mei 2006 is aan appellante, in aansluiting op de wachttijd van 104 weken, geen uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, omdat appellante in staat werd geacht in functies meer dan 65% te verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd.
1.2. Appellante heeft zich op 3 augustus 2007 vanuit een situatie waarin zij een werkloosheidsuitkering ontving ziek gemeld. Naar aanleiding hiervan is aan appellante ziekengeld toegekend.
2. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek werd appellante met ingang van 30 mei 2008 hersteld verklaard, zodat haar met ingang van deze datum geen ziekengeld meer werd uitgekeerd. Het ter zake afgegeven besluit is in bezwaar bij besluit van 15 oktober 2008 (het bestreden besluit) gehandhaafd.
3. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij met name betekenis toegekend aan het door een bezwaarverzekeringsarts uitgebrachte rapport.
4. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Appellante heeft in hoger beroep volstaan met te verwijzen naar hetgeen al in bezwaar en beroep is betoogd en geen nadere medische gegevens ingebracht. Hetgeen appellante heeft aangevoerd vormt voor de Raad geen reden om te twijfelen aan de conclusie van bezwaarverzekeringsarts N. Visser, die in een zeer uitvoerig gemotiveerd rapport van 13 oktober 2008 heeft uiteengezet dat appellante op de datum in geding geschikt moet worden geacht voor twee van de destijds in het kader van de Wet WIA voor appellante geselecteerde functies. In aanmerking genomen dat elk van de destijds in het kader van de Wet WIA geschikt geacht functies als maatstaf arbeid in de zin van artikel 19 van Pro de Ziektewet geldt en de belasting van die functies genoegzaam blijkt uit het Resultaat Functiebeoordeling van 28 december 2006, vermag de Raad niet in te zien dat hier nog een arbeidskundige beoordeling diende plaats te vinden.
5. Uit hetgeen is overwogen onder 4 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. De Raad ziet geen grond voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 april 2011.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) M. Mostert.
EK