ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2712
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor eerder geduide functies
Appellant ontving tot 7 augustus 2007 een WAO-uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, welke werd ingetrokken omdat hij niet langer als arbeidsongeschikt werd beschouwd. Vervolgens meldde appellant zich op 17 maart 2008 ziek vanuit een WW-uitkeringssituatie. Op 6 juni 2008 werd hem medegedeeld dat hij geen recht meer had op een Ziektewetuitkering omdat hij geschikt werd geacht voor eerder geduide functies.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd op 5 augustus 2008 ongegrond verklaard. De rechtbank Utrecht bevestigde dit oordeel, waarbij zij de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts doorslaggevend achtte, mede omdat appellant geen tegenbewijs aanleverde.
De Centrale Raad van Beroep sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank. De Raad acht de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts voldoende onderbouwd, mede gezien de informatie van de huisarts en het ontbreken van specialistische behandeling voor psychische klachten. Ook de stelling dat appellant niet zelfredzaam zou zijn en daarom geen duurzaam benutbare mogelijkheden zou hebben, wordt door de Raad verworpen op basis van het rapport van 15 april 2010.
De Raad ziet geen aanleiding om de aangevallen uitspraak te vernietigen en bevestigt deze. Tevens worden geen proceskosten toegekend aan appellant. De uitspraak is gedaan op 27 april 2011 door de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: De intrekking van de Ziektewetuitkering wordt bevestigd omdat appellant geschikt wordt geacht voor eerder geduide functies.