ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2713

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-5681 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering ziekengeld wegens onvoldoende medische grondslag

Appellante was werkzaam als schoonmaakster en meldde zich ziek wegens psychische klachten. Zij ontving ziekengeld vanaf oktober 2007. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) besloot in februari 2009 het ziekengeld stop te zetten omdat zij niet langer ongeschikt werd geacht voor haar werk.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, waarbij zij het oordeel van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts zwaar liet wegen. Deze artsen concludeerden dat appellante ondanks haar klachten in staat was haar werk te verrichten.

De Centrale Raad van Beroep onderschrijft deze conclusie. Uit het medisch dossier blijkt dat de klachten al langer bestonden en appellante met deze klachten heeft kunnen werken. Er is geen sprake van een duidelijke vermindering van arbeidsvermogen die rechtvaardigt dat zij ziekengeld ontvangt.

De Raad acht het oordeel van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts zorgvuldig en voldoende onderbouwd. Er zijn geen nieuwe medische gegevens die dit oordeel ondergraven. Daarom wordt het bestreden besluit bevestigd en is er geen grond voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt afgewezen en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld wordt bevestigd.

Uitspraak

09/5681 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante] wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 september 2009, 09/3120 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 27 april 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.P.C.M. van Es, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2011 Appellante is verschenen bij gemachtigde mr. Van Es. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooij-Bal.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellante was laatstelijk van 14 april 2007 tot 30 oktober 2007 voor 10 uur per week als schoonmaakster in dienst van [naam bedrijf] te [vestigingsplaats] Op 1 augustus 2007 is appellante wegens psychische klachten ongeschikt geworden voor haar werk. Aan appellante is met ingang van 30 oktober 2007 ziekengeld toegekend.
2. Bij besluit van 4 februari 2009 is aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 10 februari 2009 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij op en na deze datum niet meer ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van haar arbeid.
3. Bij besluit van 1 april 2009 (het bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 4 februari 2009 ongegrond verklaard.
4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij in het bijzonder betekenis toegekend aan het onderzoek van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts. Het onderzoek van deze artsen levert naar het oordeel van de rechtbank geen medische aanknopingspunten op voor het bestaan van fysieke en/of psychische beperkingen, die leiden tot het oordeel dat appellante niet in staat is haar werk als schoonmaakster te verrichten.
5.1. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen. De verzekeringsarts heeft appellante over een periode van meer dan een jaar verschillende keren op het spreekuur gezien en haar laatstelijk op 4 februari 2009 onderzocht. Zoals blijkt uit het op deze datum uitgebrachte rapport had hij toen de beschikking over ook reeds eerder verstrekte informatie van het psycho-medisch instituut PsyQ waar appellante sinds januari 2008 in behandeling was. In een brief van deze instantie van 30 december 2008 is vermeld dat de klachten van appellante al lang bestonden en dat deze sinds twee tot drie jaar zijn verergerd. Dit in aanmerking nemend heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat appellante vanaf minimaal december 2006 bekend was met haar depressieve klachten en posttraumatische stressklachten. Nu zij niettemin in staat is geweest met deze klachten te werken en de ziekmelding niet is terug te voeren op een evidente afname van haar arbeidsvermogen achtte de verzekeringsarts appellante ook ten tijde in geding in staat haar werk te verrichten. De Raad acht deze conclusie alleszins voldoende onderbouwd.
5.2. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellante eveneens onderzocht en gelet op zijn bevindingen de conclusie van de verzekeringsarts onderschreven. Naar het oordeel van de Raad geven de door de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts uitgebrachte rapporten blijk van een zorgvuldige beoordeling van de gezondheidsproblematiek van appellante. De door appellante in hoger beroep ingebrachte stukken bevatten geen medische gegevens die erop wijzen dat de betrokken verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts de fysieke en psychische belastbaarheid van appellante ten tijde in geding hebben overschat. De Raad verwijst in dit verband naar het, met instemming van de gemachtigde van appellante, ter zitting overgelegde commentaar van 14 maart 2011 van bezwaarverzekeringsarts M. Keus.
6. Uit hetgeen is overwogen onder 5.1 en 5.2 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
7. De Raad ziet geen grond voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 april 2011.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) M. Mostert.
EK