ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2744
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Ziektewetuitkering na WAO-beoordeling
Appellante ontving sinds 1999 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80-100%, welke in 2006 werd ingetrokken omdat zij niet langer als arbeidsongeschikt werd beschouwd. In 2007 meldde zij zich ziek vanuit een WW-situatie en kreeg zij een Ziektewetuitkering toegekend. Het UWV trok deze uitkering per 23 november 2007 in op basis van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, dat vaststelde dat appellante niet ongeschikt was voor ten minste één van de functies die in het kader van de WAO-beoordeling voor haar waren geselecteerd.
Appellante voerde aan dat onterecht alleen de functie van telefonist/receptionist was beoordeeld en niet de overige geselecteerde functies. De rechtbank vernietigde aanvankelijk het besluit van het UWV en beval een nieuwe beslissing. Het bezwaar werd opnieuw ongegrond verklaard en de rechtbank verklaarde het beroep daarop ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak.
De Raad overwoog dat onder 'zijn arbeid' in de Ziektewet wordt verstaan de laatstelijk feitelijk verrichte arbeid, tenzij de verzekerde na het maximum ziekengeldtermijn blijvend ongeschikt is voor die arbeid en geen ander werk heeft hervat; dan geldt gangbare arbeid zoals bij de WAO-beoordeling. Aangezien meerdere functies als geschikt werden aangemerkt, dient elke functie afzonderlijk als maatstaf. Het verweer van appellante faalt omdat zij niet heeft betwist dat de functie van telefonist/receptionist geschikt is.
De Raad ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en bevestigt het bestreden besluit. De uitspraak werd gedaan door rechter Ch. van Voorst op 27 april 2011.
Uitkomst: De intrekking van de Ziektewetuitkering wordt bevestigd omdat appellant geschikt is voor ten minste één van de geselecteerde functies.