ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2755
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Wajong-uitkering wegens ontbreken toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellante ontving sinds 2001 een Wajong-uitkering vanwege een cardiale aandoening, het Wolff-Parkinson-White-syndroom. In 2005 werd haar uitkering ingetrokken omdat zij minder dan 25% arbeidsongeschikt werd geacht, een beslissing die juridisch standhield.
In 2009 meldde appellante een verslechtering van haar gezondheid en vroeg zij hernieuwde toekenning van de uitkering. Medische rapporten van Max Ernst GGZ en een verzekeringsgeneeskundige verklaring werden overgelegd, stellende dat zij zwaarder beperkt was en een urenbeperking nodig had. Het UWV liet echter weten dat deze rapporten geen aanleiding gaven de functionele mogelijkhedenlijst (FML) aan te passen.
De Raad overwoog dat de verzekeringsartsen rekening hadden gehouden met de cardiologische klachten en dat de vermeende verslechtering niet bleek uit het klachtenpatroon of het ongewijzigde beleid van de cardioloog. Ook werd de psychische problematiek voldoende in de FML verwerkt. De Raad vond geen reden een onafhankelijke deskundige te benoemen en bevestigde het besluit van het UWV en de rechtbank Breda om de uitkering niet te herzien.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de Wajong-uitkering wegens het ontbreken van toegenomen arbeidsongeschiktheid.