ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2761

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-5959WAO+09-5960WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:75 AwbWet SUWI
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering en re-integratievisie ondanks betwisting medische beperkingen

Appellante, met een langdurige WAO-uitkering, stelde zich in hoger beroep op het standpunt dat haar arbeidsongeschiktheid ten onrechte was vastgesteld op 45 tot 55%, en dat zij niet geschikt zou zijn voor de geduide functies zonder trajectbegeleiding. Tevens betwistte zij de afwezigheid van een onafhankelijk psychiatrisch onderzoek en de vereiste beheersing van de Nederlandse taal voor de functies.

De Raad overwoog dat de medische grondslag van het bestreden besluit voldoende was onderbouwd, mede op basis van een uitgebreid rapport van de bezwaarverzekeringsarts Hoffman. De functies zijn relatief eenvoudig en routinematig, met beperkte taalvereisten, en de afwezigheid van trajectbegeleiding doet niet af aan de geschiktheid van de functies.

De Raad verwierp het hoger beroep en bevestigde de eerdere uitspraken van de rechtbank, waarbij ook de re-integratievisie als een besluit in de zin van de Awb werd aangemerkt. Er was geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De uitspraak werd gedaan door D.J. van der Vos op 27 april 2011.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering en de vaststelling van de re-integratievisie.

Uitspraak

09/5959 WAO
09/5960 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op de hoger beroepen van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraken van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 15 oktober 2009, 08/1428 (hierna: uitspraak I) en 16 oktober 2009, 08/1783 (hierna: uitspraak II),
in de gedingen tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 27 april 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. D. Strijbosch, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken I en II.
Het Uwv heeft verweerschriften ingediend en een rapport van 18 december 2009 van de bezwaarverzekeringsarts A.J. Hoffman.
Appellante heeft bij faxbericht van 3 maart 2011 een medicatie-overzicht ingezonden.
Het onderzoek ter zitting in beide zaken heeft gevoegd plaatsgevonden op 16 maart 2011. Appellante is, met schriftelijke kennisgeving, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Op 2 april 1991 heeft appellante tijdens een periode van werkloosheid ter zake waarvan zij uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, zich ziek gemeld wegens psychische en zwangerschapsgerelateerde klachten. Voorheen werkte zij via een uitzendbureau als productiemedewerkster. Met ingang van 30 maart 1992 is appellante in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
1.2. Het Uwv heeft bij besluit van 6 november 2007 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 23 december 2007 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Onder gegrondverklaring van het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 17 april 2008 (besluit I) deze uitkering met ingang van 23 december 2007 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.
1.3. Bij besluit van 6 november 2007 heeft het Uwv met toepassing van de Wet Structuur Uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI) de voor appellante geldende re-integratievisie vastgesteld. Het daartegen door appellante gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 17 april 2008 (besluit II) ongegrond verklaard.
2.1. Bij uitspraak I heeft de rechtbank als haar oordeel gegeven dat de medische beperkingen van appellante tot het verrichten van arbeid niet zijn onderschat. De belasting in de aan de arbeidsongeschiktheidsschatting ten grondslag liggende functies zijn in overeenstemming met haar medische beperkingen en appellante beschikt over het voor deze functies geldende opleidingsniveau, waaronder begrepen voldoende beheersing van de Nederlandse taal. Daarop is het beroep tegen besluit I ongegrond verklaard.
2.2. Bij uitspraak II heeft de rechtbank als haar oordeel gegeven dat de opgestelde re-integratievisie op rechtsgevolg is gericht en als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet worden aangemerkt. Appellante heeft in beroep tegen besluit II aangevoerd dat zij volledig arbeidsongeschikt is en dat geen rekening is gehouden met de omstandigheid dat zij al 17 jaar WAO-uitkering ontvangt. Onder verwijzing naar het oordeel in uitspraak I met betrekking tot de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
3.1. In hoger beroep heeft appellante tegen uitspraak I aangevoerd dat zij niet geschikt is te achten voor de aan de schatting ten grondslag liggende functies zonder dat zij trajectbegeleiding krijgt, dat ten onrechte geen inlichtingen zijn ingewonnen bij de behandelend psychiater en dat een onafhankelijk psychiatrisch onderzoek aangewezen is. Met betrekking tot de arbeidskundige kant heeft appellante aangevoerd dat zij niet beschikt over de voor de functies vereiste beheersing van de Nederlandse taal.
3.2. Het Uwv heeft bij verweerschrift een rapport van de bezwaarverzekeringsarts Hoffman ingezonden. Deze heeft aangevoerd dat er geen reden is voor inschakeling van een psychiater als onafhankelijk deskundige en heeft erop gewezen dat appellante zich eerst vanaf 14 mei 2008 onder behandeling van een psychiater heeft gesteld, terwijl het hier gaat om de gezondheidstoestand van appellante op 23 december 2007.
3.3. Onder verwijzing naar haar beroepschrift tegen uitspraak I heeft appellante in beroep tegen uitspraak II aangevoerd dat een re-integratievisie niet aan de orde kan zijn indien alsnog zou worden vastgesteld dat appellante ingedeeld dient te blijven in de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100%.
3.4. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat het hoger beroep geen doel treft, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op goede gronden is vastgesteld op 45 tot 55%.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. De Raad heeft geen aanleiding gezien over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de bezwaarverzekeringsarts Hoffman bij rapport van 18 maart 2008 uitvoerig verslag heeft gedaan van het bij appellante uitgevoerde onderzoek naar haar psychische en lichamelijke beperkingen. Alles overziende is de bezwaarverzekeringsarts tot de conclusie gekomen dat bij appellante sprake lijkt van een recidiverende depressie, dat echter meer waarschijnlijk is een aanhoudende depressieve periode, met als dragende en onderhoudende factor haar gedrag. De bezwaarverzekeringsarts heeft de opvatting van de primaire verzekeringsarts onderschreven dat appellante het best functioneert bij een duidelijk aanwezige, door anderen opgelegde structuur. Hierbij zal een goede trajectbegeleiding noodzakelijk zijn. Een medische urenbeperking heeft de bezwaarverzekeringsarts niet noodzakelijk geacht. In hoger beroep heeft appellante geen gegevens van medische aard ingezonden die een ander beeld geven van de gezondheidstoestand van appellante ten tijde in geding. De omstandigheid dat ten tijde van de schatting het voornemen bestond dat appellante opgenomen zou worden op de PAAZ leidt de Raad al hierom niet tot een ander oordeel, nu die opname niet heeft plaatsgevonden en het eerste contact met haar behandelend psychiater
dr. A.M.W.A. Beeftink dateert van bijna een half jaar na de datum in geding. De Raad heeft al met al geen aanwijzingen dat de ernst van de medische situatie van appellante bij het bestreden besluit is onderschat.
4.3. Tevens is de Raad met de rechtbank van oordeel dat besluit I op een voldoende arbeidskundige grondslag berust. Het rapport van 4 april 2008 van de bezwaararbeidsdeskundige R.E.T. Peters geeft een overtuigende motivering waarom de aan de schatting ten grondslag liggende functies in overeenstemming zijn met de voor appellante geldende medische beperkingen.
4.4. De Raad deelt niet de opvatting van appellante dat de geduide functies voor haar niet geschikt zijn zonder de door de verzekeringsarts noodzakelijk geachte trajectbegeleiding. De aan- of afwezigheid van die begeleiding doet op zichzelf niet af aan de geschiktheid van de functies.
4.5. Wat betreft de passendheid van de functies met betrekking tot de daarin aan de beheersing van de Nederlandse taal gestelde eisen, overweegt de Raad dat alleen in de functie van huishoudelijk medewerkster gebouwen (Sbc-code 111334) sprake is van Nederlands kunnen lezen en spreken. Aan het resultaat functiebeoordeling ontleent de Raad dat het dan gaat om mondelinge opdrachten en schriftelijke instructies in de vorm van een werkprogramma, dat bestaat uit dagelijkse, wekelijkse en maandelijkse werkzaamheden. Van de teamleider krijgt de werknemer op welke werkzaamheden verricht moeten worden. Hieruit leidt de Raad af dat aan het lezen slechts zeer beperkte eisen worden gesteld en dat ook mondeling instructies worden gegeven. Voorts gaat het om relatief eenvoudige werkzaamheden met een routinematig repeterend karakter.
4.6. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep met betrekking tot besluit I niet slaagt en dat uitspraak I dient te worden bevestigd.
4.7. Het beroep tegen besluit II slaagt evenmin. Dit beroep gaat ervan uit dat van een re-integratievisie geen sprake is bij een verzekerde van wie de mate van arbeidsongeschiktheid 80 tot 100% bedraagt. Wat daar verder van zij, de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante is gelet op het hiervoor overwogene bij besluit I terecht gesteld op 45 tot 55%. Ook uitspraak II, waarbij besluit II in stand is gelaten, komt mitsdien voor bevestiging in aanmerking.
5. De Raad acht in beide gedingen geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de uitspraken I en II.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 april 2011.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) P. Boer.
CVG