ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3198

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-1308 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening van WAO-uitkering en geschil over medische beperkingen na verkeersongeval

In deze zaak gaat het om de herziening van de WAO-uitkering van appellant, die na een verkeersongeval met nek- en schouderklachten arbeidsongeschikt is geraakt. Appellant was oorspronkelijk in aanmerking gekomen voor een uitkering op basis van 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid, maar het Uwv heeft deze herzien naar 45 tot 55% per 24 november 2008. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen deze herziening, wat leidde tot een uitspraak van de rechtbank die het beroep ongegrond verklaarde. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het Uwv ten onrechte zijn klachten en beperkingen als gedragsmatig heeft gekarakteriseerd en heeft hij verwezen naar wetenschappelijke protocollen en adviezen die zijn situatie zouden onderbouwen.

De Centrale Raad van Beroep heeft de argumenten van appellant beoordeeld en geconcludeerd dat de medische grondslag van het bestreden besluit berust op een zorgvuldig onderzoek. De Raad heeft vastgesteld dat de bezwaarverzekeringsarts voldoende rekening heeft gehouden met de psychische en fysieke beperkingen van appellant, en dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies medisch geschikt zijn. De Raad heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts en heeft de aangevallen uitspraak bevestigd. De Raad heeft ook geen proceskostenveroordeling opgelegd, wat betekent dat de kosten voor de procedure niet door de tegenpartij hoeven te worden vergoed.

Uitspraak

10/1308 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 januari 2010, 09/3004 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 29 april 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. L.B. de Jong, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2011.
Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Jong. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.L. Turnhout.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is op 12 september 2001 na een verkeersongeval met nek- en schouderklachten uitgevallen voor zijn werk als hoofd biotechniek. In aansluiting op de wettelijke wachttijd is appellant in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).
1.2. Bij besluit van 23 september 2008 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant, welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 24 november 2008 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Namens appellant is tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.3. Bij besluit van 13 maart 2009 heeft het Uwv dit bezwaar gegrond verklaard en - op arbeidskundige gronden - de mate van arbeidsongeschiktheid per 24 november 2008 gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 13 maart 2009 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het Uwv ten onrechte heeft aangenomen dat zijn klachten en beperkingen een gedragsmatige oorzaak hebben. Appellant verwijst naar het advies van de Gezondheidsraad van 16 juli 2008 inzake het postwhiplashsyndroom, waarin staat dat de beoordeling van arbeidsongeschiktheid in overeenstemming dient te zijn met de stand van de wetenschap. Appellant heeft, onder verwijzing naar het keuringsrapport van neuroloog dr. E.L.E.M. Bollen van 14 februari 2006, gesteld dat hij als gevolg van geheugen- en concentratiestoornissen verdergaand beperkt is. Voorts heeft appellant gewezen op het protocol Angststoornissen. Hij heeft aangevoerd dat zijn angststoornissen dienen te leiden tot het aannemen van forse beperkingen op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren. Ten slotte heeft appellant gesteld dat in verband met een latente longaandoening beperkingen ten aanzien van stof, damp e.d. dienen te worden aangenomen teneinde te voorkomen dat functies worden geselecteerd met belastbaarheid op dit aspect.
4. De Raad overweegt het volgende.
4.1. Tussen partijen is in geschil de ernst en de omvang van de bij
verzekeringsgeneeskundig onderzoek vastgestelde beperkingen van appellant per 24 november 2008 als datum in geding. De diagnose postwhiplashsyndroom staat tussen partijen niet ter discussie, in die zin dat ook de verzekeringsartsen van het Uwv, bij het vaststellen van de voor appellant in aanmerking te nemen beperkingen, ervan zijn uitgegaan dat ten aanzien van appellant sprake is van dat syndroom.
4.2. Appellant heeft zich beroepen op het protocol Whiplash associated disorder en het protocol Angststoornissen en op de wetenschappelijke inzichten die daaraan ten grondslag liggen. De Raad stelt voorop dat het protocol Whiplash associated disorder ten tijde in geding nog niet van toepassing was en dat reeds om die reden het beroep op dat protocol niet tot het door appellant beoogde resultaat kan leiden. Voorts geldt dat appellant slechts in algemene zin heeft verwezen naar de aandachtspunten bij de beoordeling van de functionele mogelijkheden van personen met whiplash en met angststoornissen en niet specifiek heeft te kennen gegeven met welk onderdeel van de protocollen geen rekening zou zijn gehouden of op welke wijze daardoor zijn klachten of beperkingen zouden zijn miskend. Voor zover appellant zijn betoog ten aanzien van evenvermelde protocollen heeft gegrond op het uitgangspunt dat die protocollen een inhoudelijke normering bevatten ten aanzien van in acht te nemen beperkingen, in die zin dat de diagnose postwhiplashsyndroom of de diagnose angststoornis ertoe dwingt alle subjectieve klachten te honoreren, berust deze visie op een onjuiste interpretatie van aard en functie van de protocollen. In zijn rechtspraak heeft de Raad blijk gegeven van de opvatting dat de in de Regeling verzekeringsgeneeskundige protocollen arbeidsongeschiktheidswetten (Stcrt. 2006, 33, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 17 november 2008, Stcrt. 2008, 322) opgenomen verzekeringsgeneeskundige protocollen dienen ter ondersteuning voor en als hulpmiddel bij de verzekeringsgeneeskundige oordeelsvorming. De Raad wijst in dat verband op zijn uitspraak van 16 september 2009, LJN BJ7873. In de omstandigheid dat de bezwaarverzekeringsarts in het subjectieve klachtenpatroon van appellant geen aanleiding heeft gezien om meer beperkingen aan te nemen, ziet de Raad evenmin grond voor het oordeel dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig is geweest. Bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid gaat het immers om de medisch objectiveerbare beperkingen voor het verrichten van arbeid.
4.3. Naar aanleiding van de gronden van appellant heeft de bezwaarverzekeringsarts R.M.E. Blanker in een nadere rapportage van 21 juli 2009 aangegeven dat met de in verband met whiplashproblematiek fysiek verminderde belastbaarheid van appellant rekening is gehouden door het vaststellen van nekbeperkingen.
De bezwaarverzekeringsarts heeft voorts gerapporteerd dat noch bij eigen onderzoek, noch bij het op 16 maart en 5 april 2007 uitgevoerde psychologisch/psychiatrisch onderzoek van de HSK-groep, concentratiestoornissen zijn gebleken. Het door appellant ingebrachte rapport van neuroloog Bollen biedt de Raad onvoldoende aanknopingspunten om tot het oordeel te komen dat als gevolg van geheugen- en concentratiestoornissen van appellant onvoldoende beperkingen zijn aangenomen. De rapportage van neuroloog Bollen is opgemaakt in het kader van een andere (letselschade)procedure en is gebaseerd op een onderzoek dat drie jaar voor de datum in geding is uitgevoerd. Reeds om die reden komt aan de rapportage van neuroloog Bollen niet die betekenis toe die appellant eraan toegekend wil zien. Daarbij komt dat neuroloog Bollen, onder verwijzing naar een neuropsychologisch onderzoek van prof. dr. H.A.M. Middelkoop, weliswaar aangeeft dat het aannemelijk is dat appellant last heeft van restklachten met betrekking tot geheugen en concentratie, doch hij heeft geen afwijkingen kunnen vaststellen op zijn vakgebied. Gelet hierop en in aanmerking nemende dat uit het geheel van de beschikbare medische gegevens ook overigens niet is gebleken van bij appellant objectief-medisch vastgestelde afwijkingen op het neurologische vlak, kan het enkele feit dat neuroloog Bollen op basis van genoemd neuropsychologisch onderzoek geheugen- en concentratiestoornissen aannemelijk acht, niet tot de conclusie leiden, dat deze dienen te worden aangemerkt als op ziekte of gebrek berustende beperkingen. De Raad wijst in dit verband op zijn uitspraak van 30 juli 2010 (LJN BN3005).
4.4. De bezwaarverzekeringsarts heeft voorts aangegeven dat met het vaststellen van beperkingen ten aanzien van deadlines en productiepieken voldoende rekening is gehouden met de verminderde psychische belastbaarheid van appellant. Hij heeft in de psychische toestand van appellant en de gestelde diagnosen (PTTS en paniekstoornis met agorafobie) geen aanleiding gezien voor het aannemen van meer beperkingen met betrekking tot het persoonlijk en sociaal functioneren. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapportage van 14 januari 2009 verwezen naar de HSK-rapportage uit 2007 en de nadien opgetreden verbetering op psychisch vlak. De Raad heeft geen aanleiding aan deze overwegingen van de bezwaarverzekeringsarts en de daarop gegronde conclusies te twijfelen.
4.5. De Raad is voorts van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts voldoende heeft gemotiveerd dat geen beperkingen waren geïndiceerd op grond van een actueel astma.
4.6. Al met al is de Raad van oordeel dat de medische grondslag van het bestreden besluit berust op een zorgvuldig onderzoek en dat de beperkingen van appellant niet zijn onderschat.
4.7. Uitgaande aldus van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid, heeft de Raad geen grond om te oordelen dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellant in medisch opzicht niet geschikt te achten zijn. Op basis van de aan die functies te ontlenen verdiencapaciteit is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant terecht bepaald op 55 tot 65%.
4.8. Onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting merkt de Raad ten slotte nog op dat het aanmerken van beperkingen in de FML ten aanzien van stof, rook, gassen en dampen, zoals appellant bepleit, voor hooguit één van de geduide functies gevolgen zou kunnen hebben, te weten de functie productiemedewerker industrie (sbc-code 111180). Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het eventueel vervallen van die functie tot een ander schattingsresultaat zou leiden.
4.9. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2011.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) D.E.P.M. Bary.
EK