Art. 4:6 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ)
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant werkte van 1969 tot 1972 in Nederland en werd in 1972 wegens illegaliteit uitgezet. Hij stelde dat hij in 1972 arbeidsongeschikt werd, maar vroeg pas in 1999 een WAO-uitkering aan. Dit verzoek werd in 2001 afgewezen omdat appellant niet onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt was tijdens de verzekeringsperiode.
Na diverse procedures, waaronder uitspraken van rechtbank en eerdere Raad, verzocht appellant in 2007 opnieuw om een WAO-uitkering, onderbouwd met medische verklaringen uit Marokko. Het UWV weigerde terug te komen op het eerdere besluit omdat de nieuwe stukken geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden bevatten volgens artikel 4:6 AwbPro.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt, maar de Raad oordeelde dat de medische klachten reeds bekend waren en dat het UWV terecht het verzoek afwees. De Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraak en wees het beroep af.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om WAO-uitkering afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten.
Uitspraak
10/1420 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (Marokko) (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 januari 2010, 08/2798 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 29 april 2011
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2011. Appellant is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door A. Anandbahadoer.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant heeft van 1969 tot in 1972 in Nederland gewerkt. In 1972 is hij wegens illegaliteit het land uitgezet. Volgens eigen opgave zou appellant in 1972 arbeidsongeschikt zijn geworden. In 1999 heeft hij zich met een verzoek om arbeidsongeschiktheidsuitkering tot een rechtsvoorganger van het Uwv gewend.
1.2. Bij besluit van 29 november 2001 is dit verzoek afgewezen, omdat appellant in 1972 niet op enig moment arbeidsongeschikt is geworden in de zin van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), terwijl indien hij wel arbeidsongeschikt zou zijn geworden, hij niet onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest en in ieder geval de dag na het verstrijken van de wettelijke wachttijd niet arbeidsongeschikt was. Bij besluit van 28 augustus 2002 is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 november 2001 ongegrond verklaard.
1.3. Bij uitspraak van 13 februari 2004 heeft de rechtbank het tegen het besluit van 28 augustus 2002 ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gezien voor de conclusie dat appellant in 1972 dan wel in 1973 gedurende een periode van 52 weken arbeidsongeschikt is geweest en dat die arbeidsongeschiktheid nadien voort bestond. Nu hij eerst in 1999 een WAO-aanvraag heeft gedaan dient de omstandigheid dat er geen verdere gegevens voorhanden zijn, voor rekening van appellant te blijven, aldus de rechtbank. De rechtbank heeft zich voorts kunnen verenigen met de overweging in het besluit van 28 augustus 2002 dat, voor zover appellant op latere datum arbeidsongeschikt zou moeten worden geacht, hij ook dan niet in aanmerking kan komen voor een WAO-uitkering, omdat hij niet als verzekerde kan worden aangemerkt.
1.4. Bij uitspraak van 7 april 2006 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Raad kon zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen.
2.1. Bij onder meer een brief van 6 mei 2007 heeft appellant opnieuw verzocht hem in aanmerking te brengen voor een WAO-uitkering. In een brief van 3 maart 2008 heeft hij, onder meezending van diverse medische verklaringen uit Marokko, dit verzoek aldus toegelicht dat hij - na zijn uitval in Nederland in 1972 - nog steeds ziek is, zijn gezondheid verder achteruit is gegaan en hij volgens zijn behandelend artsen geen arbeid kan verrichten.
2.2. Evenvermeld verzoek van appellant is door het Uwv opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 29 november 2001. Bij besluit van 19 maart 2008 heeft het Uwv geweigerd van het besluit van 29 november 2001 terug te komen. Daarbij is overwogen dat de door appellant verstrekte documenten en rapporten geen nieuwe aspecten toevoegen aan de reeds bekende gegevens die in aanmerking zijn genomen bij het nemen van het besluit van 29 november 2001, zodat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.3. Bij besluit van 29 augustus 2008, hierna: het bestreden besluit, is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 maart 2008 ongegrond verklaard.
3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, samengevat weergegeven, overwogen dat appellant zijn verzoek heeft onderbouwd met medische gegevens die reeds bekend waren op de datum in geding, en dus geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 vanPro de Awb heeft vermeld.
4.1. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt slechts een herhaling van de reeds eerder aangevoerde gronden. Hij houdt staande dat hij vanaf 1972 onafgebroken ziek is en niet in staat is arbeid te verrichten.
4.2. De Raad komt niet tot een ander oordeel dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak. Zoals door bezwaarverzekeringsarts P.M. Cramer in zijn rapport van 28 juli 2008 onder verwijzing naar het rapport van 8 november 2001 van verzekeringsarts J. Biersteker is aangegeven, waren de klachten op grond waarvan appellant met een beroep op diverse medische stukken stelt sedert 1972 volledig arbeidsongeschikt te zijn, reeds bekend ten tijde van het nemen van het besluit van 29 november 2001. Met betrekking tot die klachten is toen in het besluit van 28 augustus 2002 overwogen dat ze dateren van geruime tijd na de periode gedurende welke appellant verzekerd was voor de WAO en de WAZ en derhalve niet tot uitkering ingevolge die wetten kunnen leiden. Hetgeen appellant naar voren heeft gebracht in het kader van zijn verzoek om terug te komen van het besluit van 29 november 2001, kan aldus niet worden aangemerkt als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 vanPro de Awb.
4.3. Het Uwv heeft zich dan ook terecht bevoegd geacht met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb de aanvraag van appellant af te wijzen. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik kon maken.
4.4. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2011.