[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 24 juni 2010, 10/245 (hierna: aangevallen uitspraak),
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 29 april 2011
Namens appellant heeft mr. H.M. de Roo, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2011. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.
1.1 Appellant heeft zich op 21 augustus 2002 ziekgemeld voor zijn werkzaamheden als medewerker studiezaal vanwege psychische klachten. Per einde wachttijd, 21 augustus 2003, werd appellant op theoretische gronden minder dan 15% arbeidsongeschikt ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) beschouwd. Op
1 september 2006 meldde appellant zich arbeidsongeschikt, nu voor zijn werk als onderwijsassistent, wederom vanwege psychische klachten.Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek is bij besluit van 17 november 2008 aan appellant na een wachttijd van vier weken, per 29 september 2006, een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.Bij besluit van eveneens 17 november 2008 is de WAO-uitkering van appellant met ingang van 18 januari 2009 ingetrokken omdat hij per die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Appellant heeft tegen laatstgenoemd besluit geen bezwaar gemaakt.
1.2. Bij brief van 4 april 2009 heeft de gemachtigde van appellant aan het Uwv meegedeeld dat de psychische klachten in de loop van januari 2009 zodanig zijn toegenomen dat appellant zich sedert circa eind januari 2009 weer volledig arbeidsongeschikt acht. Daarom is verzocht om de uitkering met ingang van 18 januari 2009 te herstellen en aan appellant een volledige WAO-uitkering toe te kennen conform artikel 39, eerste lid, sub c van de WAO.
1.3. Na onderzoek door de verzekeringsarts op 14 augustus 2009 heeft het Uwv bij besluit van 17 augustus 2009 beslist dat de WAO-uitkering van appellant niet wordt heropend omdat er geen wijzigingen in de belastbaarheid zijn opgetreden sinds het vorige onderzoek in oktober 2008.
2. In de bezwaarfase is de bezwaarverzekeringsarts op basis van bestudering van de dossiergegevens en informatie verkregen tijdens de hoorzitting tot de conclusie gekomen dat het standpunt dat er geen sprake is van een evidente wijziging in de gezondheidssituatie in januari 2009, kan worden gevolgd. Bij besluit van 8 december 2009 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 augustus 2009 ongegrond verklaard.
3. De rechtbank heeft vastgesteld dat het Uwv in zijn verweerschrift terecht heeft aangegeven dat in de situatie van appellant, waar een verzoek is gedaan om heropening van een uitkering die volledig was ingetrokken, artikel 47, eerste lid van de WAO geldt. Gelet hierop dient onderzocht te worden of appellant binnen vier weken na 18 januari 2009, opnieuw arbeidsongeschikt is geworden. De rechtbank heeft het onderzoek van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts zorgvuldig geacht en heeft geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid of volledigheid van de door deze artsen uitgebrachte rapportages.
4. Appellant betoogt in hoger beroep dat nu de bezwaarverzekeringsarts geen informatie heeft opgevraagd of een psychiatrische expertise heeft laten verrichten het onderzoek onzorgvuldig is. Appellant stelt dat hij beperkingen ondervindt door een depressieve stoornis en dat hij niet gedurende hele dagen kan werken. Verder acht appellant de periode van het onderzoek door de rechtbank te beperkt vastgesteld. Per 8 juli 2009 is aan appellant een uitkering ingevolge de Ziektewet toegekend wegens toegenomen psychische klachten. Dit zou moeten leiden tot toekenning van een WAO-uitkering met ingang van vier weken na 8 juli 2009.
5. De Raad overweegt als volgt.
5.1. Appellant heeft in hoger beroep geen medische gegevens ingebracht die kunnen dienen ter ondersteuning van zijn eigen opvatting over de ernst van zijn psychische beperkingen en de noodzaak tot het stellen van een urenbeperking. De Raad kan zich vinden in hetgeen de rechtbank met betrekking tot de rechtelijke grondslag in het bestreden besluit heeft overwogen en geconcludeerd en gaat, bij het ontbreken aldus ook in hoger beroep van medische gegevens die in een andere richting wijzen, met de rechtbank uit van de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen van het Uwv. In het vorengaande ligt besloten dat de Raad geen aanleiding ziet tot het benoemen van een deskundige.
5.2. Met betrekking tot de grief van appellant over de te beperkte periode van onderzoek en de toegenomen arbeidsongeschiktheid per 8 juli 2009 overweegt de Raad dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat appellant, naar ook door het Uwv bij verweerschrift was aangegeven, op 4 april 2009 bedoeld heeft een beroep te doen op artikel 47, eerste lid van de WAO, waarin is bepaald dat de WAO-uitkering herleeft indien sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen vier weken na intrekking van de uitkering. Gelet hierop is er geen ruimte om in het kader van de onderhavige procedure ook een oordeel te geven over een eventuele latere arbeidsongeschiktheid.
6. Uit overwegingen 5.1 en 5.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
7. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
De Centrale Raad van Beroep,
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2011.