ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3723

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-3120 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging toekenning WGA-vervolguitkering na zorgvuldig medisch onderzoek

Appellant ontving een WGA-uitkering, die door het UWV werd ingetrokken wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Na bezwaar en aanvullend medisch onderzoek kende het UWV alsnog een WGA-vervolguitkering toe, berekend op 45-55% arbeidsongeschiktheid. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde.

In hoger beroep stelde appellant dat zijn klachten, met name aan de onderrug, schouder, armen en psychische klachten, onvoldoende waren meegewogen en dat een urenbeperking gerechtvaardigd was. De Raad overwoog dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd door de bezwaarverzekeringsarts, die ook de relevante medische informatie van specialisten had betrokken. De klachten aan de onderrug en de psychische klachten waren adequaat onderzocht en verwerkt in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).

De Raad oordeelde dat de eerdere urenbeperking niet meer noodzakelijk was omdat de hepatitis C-infectie in remissie was en de combinatie van klachten uit 2006 niet meer aanwezig was. Verder waren er geen medische gegevens die verdergaande beperkingen voor schouder- en armbelasting ondersteunden. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de toekenning van de WGA-vervolguitkering bevestigd.

Uitspraak

10/3120 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 april 2010, 08/9232 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 4 mei 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. L.B. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Jong. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.L. Turnhout.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant ontving op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) een loongerelateerde uitkering in verband met werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA-uitkering).
1.2. Bij besluit van 6 maart 2008 heeft het Uwv de WGA-uitkering van appellant met ingang van 29 maart 2009 ingetrokken, omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt. Bij besluit van eveneens 6 maart 2008 heeft het Uwv appellant een re-integratievisie toegezonden. Het bezwaar tegen deze besluiten is bij besluit van
12 november 2008 (besluit I) ongegrond verklaard.
1.3. Bij brief van 3 juli 2009 heeft het Uwv de rechtbank meegedeeld dat aan besluit I geen actueel sociaal medisch oordeel ten grondslag ligt en dat nieuwe onderzoeken door de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige zullen volgen.
1.4. Naar aanleiding van de resultaten van deze onderzoeken heeft het Uwv zijn standpunt gewijzigd. Bij besluit van 25 september 2009 (besluit II) is het bezwaar van appellant alsnog gegrond verklaard en is aan hem met ingang van 29 maart 2009 een WGA-vervolguitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55%. Het Uwv heeft ter zitting bij de rechtbank besluit I ingetrokken.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen besluit II ongegrond verklaard. In de omstandigheid dat het Uwv besluit I heeft ingetrokken zag de rechtbank aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten en te bepalen dat het Uwv aan appellant het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
3. Het hoger beroep van appellant is alleen gericht tegen de ongegrondverklaring van zijn beroep tegen besluit II. Appellant heeft zijn standpunt gehandhaafd, dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn klachten en beperkingen. De klachten in de onderrug en de uitstraling naar het been leiden volgens hem tot beperkingen voor lopen en zitten die niet of in onvoldoende mate zijn verwoord in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Door de chronische pijnklachten is er sprake van slaapstoornissen waardoor appellant kampt met een energetisch tekort, hetgeen naar zijn mening een urenbeperking rechtvaardigt. Appellant heeft verder betoogd dat in de FML verdergaande beperkingen hadden moeten worden opgenomen voor schouder- en armbelasting. Ter zitting heeft appellant aangevoerd dat het Uwv zijn psychische klachten onvoldoende heeft onderzocht.
4. De Raad overweegt het volgende.
4.1. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat besluit II berust op een zorgvuldig medisch onderzoek en dat er geen aanknopingspunten zijn het medisch oordeel van de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist te houden. Appellant heeft in hoger beroep geen (nieuwe) medische gegevens overgelegd ter onderbouwing van zijn standpunt.
4.2. Met betrekking tot de klachten aan de onderrug overweegt de Raad dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 22 juli 2009, op basis van lichamelijk onderzoek en informatie uit de curatieve sector, heeft vastgesteld dat bij appellant sprake is van uitstralende rugklachten bij HNP. De bezwaarverzekeringsarts heeft hiermee rekening gehouden bij het opstellen van het FML en vastgesteld dat appellant niet veel mag lopen en niet langdurig mag staan. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 3 februari 2010 voldoende toegelicht waarom de door appellant in beroep overgelegde informatie van de behandelend neuroloog-oncoloog Vecht van 31 december 2009, inhoudende dat bij appellant sprake is van een radiculair syndroom S1 links, niet leidt tot een bijstelling van de FML.
4.3. Met betrekking tot de door appellant gewenste urenbeperking overweegt de Raad het volgende. Anders dan bij de beoordeling in 2006 heeft het Uwv bij de thans in geding zijnde schatting geen urenbeperking nodig geacht. Blijkens het rapport van de arts Doerga van 30 augustus 2006 hield de urenbeperking in 2006 verband met een combinatie van chronische pijnklachten en een medisch verleden van een doorgemaakte virusinfectie. Het staat vast dat de hepatitis C infectie op de thans in geding zijnde datum, 29 maart 2009, compleet in remissie was. De door Doerga genoemde combinatie van klachten was dan ook niet meer aan de orde. Daarom kan de Raad het Uwv volgen in zijn standpunt dat een urenbeperking niet meer noodzakelijk was.
4.4. De Raad deelt niet het standpunt van appellant dat het Uwv, op basis van de beschikbare medische gegevens, verdergaande beperkingen had moeten aannemen ten aanzien van schouder- en armbelasting. De bezwaarverzekeringsarts Blanker heeft blijkens zijn rapport van 22 juli 2009 de medische informatie van de neuroloog Van Dijk van 2 oktober 2008, inhoudende dat bij appellant sprake is van een frozen shoulder links meer dan rechts, bij zijn beoordeling betrokken. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts De Brouwer in zijn rapport van 3 februari 2010 voldoende toegelicht waarom de informatie van de neuroloog-oncoloog Vecht van 31 december 2009, volgens welke bij appellant tevens een aanwijzing is voor een tenniselleboog, niet leidt tot een aanpassing van de FML. Appellant heeft zijn standpunt, dat hij geen repetitieve handelingen met zijn armen kan verrichten, niet met medische gegevens onderbouwd.
4.5. De Raad kan appellant evenmin volgen in zijn standpunt dat zijn psychische klachten onvoldoende zijn onderzocht. De bezwaarverzekeringsarts Blanker heeft blijkens zijn rapport van 22 juli 2009, naast eigen psychisch onderzoek, tevens de beschikbare informatie van de behandelend psycholoog/psychotherapeut Betten bij zijn beoordeling betrokken. Verder heeft deze bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 19 januari 2010 voldoende toegelicht waarom de in beroep overgelegde aanvullende informatie van Betten van 16 november 2009 het reeds bekende medisch beeld van appellant bevestigt.
4.6. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de aan besluit II ten grondslag gelegde functies niet passend zouden zijn voor appellant.
4.7. Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten in hoger beroep, dient te worden bevestigd.
5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en T. Hoogenboom en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2011.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) M.A. van Amerongen.
IvR