ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4192
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- H.D. Stout
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting
Appellant ontving bijstand vanaf november 2003 met toeslag wegens inwoning bij zijn ouders. Het College trok de bijstand in per 1 december 2003 en vorderde de kosten terug, omdat appellant niet op het adres van zijn ouders woonde maar elders, wat hij niet had gemeld. De rechtbank oordeelde dat appellant zijn woonadres niet op het ouderlijk huis had en verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat hij wel op het adres van zijn ouders verbleef en dat de verklaringen onvoldoende waren. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en vond de verklaringen van politie, sociale recherche en getuigen toereikend. Appellant had de inlichtingenplicht geschonden door zijn werkelijke woonadres niet te melden.
De Raad oordeelde verder dat appellant onterecht geen vergoeding voor de kosten van bezwaar had ontvangen voor het bezwaar van 14 maart 2008 tegen een tussenbesluit, en kende hem een vergoeding van €322 toe. Het College werd veroordeeld in de proceskosten en het betaalde griffierecht werd vergoed.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd en appellant krijgt een vergoeding van €322 voor de kosten van bezwaar.