ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4398
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bijzondere omstandigheden bij late aanvraag Wajong-uitkering
Appellant vroeg op 14 april 2008 een Wajong-uitkering aan met terugwerkende kracht tot 27 juli 2001. Het UWV kende de uitkering toe met ingang van 15 april 2007, omdat de uitkering volgens de Wajong niet eerder kan ingaan dan één jaar voor de aanvraag, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Appellant stelde dat problematische leefomstandigheden en onbekendheid met de Wajong hem verhinderden eerder aan te vragen.
De verzekeringsarts stelde beperkingen vast door gedragsproblemen en een instabiele schouder, en een arbeidskundige concludeerde volledige arbeidsongeschiktheid. Het UWV en de rechtbank oordeelden dat er geen medische verschoonbare redenen of bijzondere omstandigheden waren voor de late aanvraag. Ook de financiële situatie van appellant werd niet als bijzondere hardheid erkend.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad stelt dat onbekendheid met de Wajong geen bijzondere omstandigheid is en dat appellant al vanaf zijn 16e gedragsproblemen kende, waardoor hij eerder had moeten begrijpen dat hij arbeidsongeschikt was. De Raad wijst het beroep af en bevestigt het besluit van het UWV en de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat er geen bijzondere omstandigheden zijn voor een latere ingangsdatum van de Wajong-uitkering en wijst het hoger beroep af.