ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4708

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-5086 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K. Zeilemaker
  • K.J. Kraan
  • J.L.P.G. van Thiel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:71 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdverklaring rechtbank inzake verrekening bovenwettelijke werkloosheidsuitkering met ontbindingsvergoeding

Appellant stelde beroep in tegen een beslissing van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen over de verrekening van een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering met een ontbindingsvergoeding van €80.000. De rechtbank verklaarde zich bevoegd maar wees het beroep ongegrond. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat er geen publiekrechtelijke grondslag bestaat voor de verrekening, waardoor de beslissing geen bestuursrechtelijk besluit is. Hierdoor was de rechtbank onbevoegd om over het beroep te oordelen.

De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde deze onbevoegd. Tevens werd vastgesteld dat alleen de burgerlijke rechter bevoegd is om over de verrekening te oordelen, conform artikel 8:71 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Omdat het bestuur appellant onjuist heeft geïnformeerd over de toepasselijkheid van de Awb, veroordeelde de Raad het bestuur tot vergoeding van de proceskosten van appellant in zowel eerste aanleg als hoger beroep.

De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 12 mei 2011, waarbij tevens werd bepaald dat het betaalde griffierecht door het bestuur aan appellant moet worden vergoed.

Uitkomst: De rechtbank werd onbevoegd verklaard en de zaak moet bij de burgerlijke rechter worden behandeld.

Uitspraak

09/5086 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te Sittard, (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 7 augustus 2009, 09/163 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen als rechtsopvolger van de Raad van bestuur van de Centrale organisatie werk en inkomen (hierna: raad van bestuur)
Datum uitspraak: 12 mei 2011
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De raad van bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Op verzoek van de Raad heeft de raad van bestuur nadere inlichtingen gegeven. Hierop heeft appellant schriftelijk gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2011. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.J. van Weersch, werkzaam bij de DAS. De raad van bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.H.M.J. Arets, werkzaam bij Loyalis Maatwerkadministraties BV.
II. OVERWEGINGEN
1. Met ingang van 1 januari 2009 is krachtens de Wet van 29 december 2008 tot wijziging van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en enkele andere wetten in verband met de evaluatie van deze wet, de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen en deregulering, Stb. 2008, 600, de raad van bestuur in de plaats getreden van de raad van bestuur van de Centrale organisatie werk en inkomen (hierna: CWI). Waar in deze uitspraak sprake is van de raad van bestuur, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de raad van bestuur van de CWI.
2. Bij de bestreden beslissing van 19 december 2008 is namens het bestuur ongegrond verklaard het bezwaar tegen de beslissing van 7 maart 2008 over de verrekening van de bovenwettelijke uitkering met de door de kantonrechter vastgestelde ontbindingsvergoeding van € 80.000,-. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen de beslissing van 19 december 2008 ongegrond verklaard.
3. Naar aanleiding van de inlichtingen aan de Raad is tussen partijen niet meer in geschil en is ook de Raad van oordeel, dat voor de in geding zijnde verrekeningskwestie geen publiekrechtelijke grondslag bestaat. Dit brengt mee dat de bestreden beslissing van 19 december 2008 over appellants aanspraken geen publiekrechtelijke rechtshandeling inhoudt, zodat deze beslissing geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit brengt mee dat de rechtbank (sector bestuursrecht) niet bevoegd was over het beroep te oordelen en dat zij zich onbevoegd had moeten verklaren.
4. Met het oog op artikel 8:71 van Pro de Awb stelt de Raad vast dat over het geschil met betrekking tot de verrekening van de bovenwettelijke werkloosheidsuitkering met de
ontbindingsvergoeding uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld.
5. Het vorenstaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak vernietigd moet worden en dat de Raad, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, de rechtbank onbevoegd zal verklaren.
6. Omdat het bestuur appellant inzake de toepasselijkheid van de Awb op het verkeerde been heeft gezet acht de Raad tenslotte termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb het bestuur te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- aan kosten van rechtsbijstand voor het beroep bij de rechtbank en op € 805,- aan kosten voor rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart de rechtbank onbevoegd;
Veroordeelt de raad van bestuur in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.449,-;
Bepaalt dat de raad van bestuur het door appellant betaalde griffierecht van in totaal
€ 262,- dient te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en K.J. Kraan en J.L.P.G. van Thiel als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2011.
(get.) K. Zeilemaker.
(get.) N.M. van Gorkum.
HD