ECLI:NL:CRVB:2011:BQ5014

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-4612 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K. Zeilemaker
  • K.J. Kraan
  • A.A.M. Mollee
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank over terugvordering suppletie-uitkering met aanpassing bruto terugvordering

De zaak betreft een hoger beroep van het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam over de terugvordering van onverschuldigd betaalde suppletie-uitkering aan een betrokkene. De betrokkene ontving suppletie-uitkering terwijl daar geen recht op bestond, waarna appellant de terugvordering bruto wilde uitvoeren.

De rechtbank oordeelde dat terugvordering mogelijk is, maar dat in dit geval niet bruto mocht worden teruggevorderd over de periode 22 december 2005 tot 6 juni 2006, omdat het ontstaan van de vordering niet aan betrokkene te wijten was en het niet redelijk was om bruto terug te vorderen. Voor de periode daarna was bruto terugvordering wel gerechtvaardigd.

De Raad bevestigt deze beoordeling en stelt dat voor de eerste periode sprake is van een bijzonder geval waardoor bruto terugvordering niet redelijk is. Voor de tweede periode is bruto terugvordering wel toegestaan omdat betrokkene redelijkerwijs kon weten dat de suppletie onverschuldigd was en het kalenderjaar 2006 al verstreken was bij ontdekking. De Raad past het terugvorderingsbedrag aan en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De Raad ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en benadrukt dat de Suppletieverordening geen specifieke bepalingen bevat over terugvordering, maar dat vaste rechtspraak de mogelijkheid tot bruto terugvordering biedt, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank met aanpassing van het bruto terugvorderingsbedrag over de periode 6 juni 2006 tot 29 december 2006.

Uitspraak

09/4612 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 juli 2009, 08/4546 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)
en
appellant
Datum uitspraak: 28 april 2011
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door H. Hendriks, werkzaam bij KPMG Management Services te Emmen. Betrokkene is, zoals tevoren meegedeeld, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Bij besluit van 17 november 2005 is betrokkene per 22 december 2005 ontslag verleend op grond van ongeschiktheid voor de vervulling van de betrekking wegens ziekte. Dit besluit is bij besluit van 1 juni 2006 met terugwerkende kracht ingetrokken. Bij besluit van 21 juni 2006 is betrokkene met ingang van 21 juni 2006 ontslag verleend wegens ernstig plichtsverzuim.
Voorts is meegedeeld dat betrokkene over de periode 22 december 2005 tot 6 juni 2006 recht heeft op nabetaling van salaris. Deze nabetaling heeft in juni 2006 plaatsgevonden.
1.2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft namens appellant bij brief van 6 maart 2007 aan betrokkene meegedeeld dat vanwege de intrekking van het ontslag per 22 december 2005 de suppletie-uitkering per die datum is beëindigd. Voorts is meegedeeld dat betrokkene per 6 juni 2006 geen recht heeft op een suppletie-uitkering. De ten onrechte betaalde suppletie-uitkering zal van betrokkene worden teruggevorderd. Bij besluit van 14 november 2007 is het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Ook is meegedeeld dat de onverschuldigd betaalde suppletie-uitkering bij afzonderlijke beslissing zal worden teruggevorderd en het gedane verzoek om netto terugvordering zal worden doorgestuurd aan de beslisafdeling.
1.3. Bij besluit van 17 maart 2008 heeft appellant aan betrokkene meegedeeld dat een bruto vordering openstaat van € 5.661,49. Voorts heeft appellant het verzoek van betrokkene om netto terug te vorderen afgewezen.
2. Het tegen het besluit van 17 maart 2008 gemaakte bezwaar is bij besluit van 6 oktober 2008 (hierna: bestreden besluit) gegrond verklaard voor zover het bezwaar de hoogte van de terugvordering betreft. Het terug te vorderen bedrag is nader vastgesteld op € 4.649,18 bruto. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard.
3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. De rechtbank heeft daartoe - samengevat - overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat aan betrokkene teveel suppletie is uitbetaald. Appellant is derhalve bevoegd het onverschuldigd betaalde bedrag terug te vorderen, zie CRvB 3 mei 2007, LJN BA5369 en TAR 2007, 126. De rechtbank is echter, anders dan appellant, van oordeel dat er reden is om niet bruto terug te vorderen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het ontstaan van de vordering niet aan betrokkene te wijten is. Evenmin is het betrokkene te verwijten dat de vordering niet is voldaan in het jaar waarin deze is ontstaan. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze omstandigheden door appellant niet terzijde worden geschoven met de overweging dat betrokkene naderhand zou kunnen verzoeken om vergoeding van eventuele fiscale schade door de bruto terugvordering. Dit geldt te meer nu de uitkomst daarvan op voorhand onzeker is. Naar het oordeel van de rechtbank doet zich hier een bijzonder geval voor waarin appellant niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten de onverschuldigd betaalde suppletie-uitkering over 2006 in 2008 bruto terug te vorderen.
4. Naar aanleiding van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.
4.1. De toegepaste Suppletieverordening gedeeltelijk arbeidsongeschikten bevat geen bepalingen met betrekking tot terugvordering van ten onrechte betaalde suppletie. Niettemin kan volgens de hiervoor al genoemde vaste rechtspraak van de Raad de terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen in het algemeen bruto plaatsvinden, tenzij zich een bijzonder geval voordoet waarin het bestuursorgaan niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.
4.2. De terugvordering heeft betrekking heeft op de periode 22 december 2005 tot en met 29 december 2006. Voor wat betreft de eerste periode (22 december 2005 tot 6 juni 2006) houdt de terugvordering direct verband met de in juni 2006 verrichte nabetaling van salaris door appellant aan betrokkene. Vast staat dat betrokkene daarvoor niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat zij de suppletie ten onrechte ontving. Terugvordering kan ingevolge vaste rechtspraak (CRvB 24 februari 2000, LJN AA5418 en TAR 2000, 50) dan toch plaatsvinden, maar uitsluitend voor zover het bedrag waarop betrokkene alsnog aanspraak verkreeg niet geringer is dan het onverschuldigd betaalde.
4.3. Namens appellant is verklaard dat die vergelijking is gemaakt en dat betrokkene in bedoelde periode minder suppletie had ontvangen dan de nabetaling salaris, reden om de suppletie bruto terug te vorderen. De nabetaling was echter afkomstig van appellant en niet valt in te zien waarom die nabetaling niet aanstonds is verrekend met de reeds betaalde suppletie. Door pas in maart 2008 tot terugvordering over te gaan is aan appellant te wijten dat betrokkene met een bruto terugvordering is geconfronteerd. Daar komt nog bij dat appellant bij de uitgevoerde vergelijking geen acht heeft geslagen op de overige inkomsten uit uitkering welke betrokkene in die periode ontving.
4.4. Gelet hierop is de Raad van oordeel dat zich hier een bijzonder geval voordoet waarin appellant niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de in de periode december 2005 tot 6 juni 2006 onverschuldigd betaalde suppletie-uitkering in 2008 bruto terug te vorderen.
4.5. Voor wat betreft de tweede periode (6 juni 2006 tot en met 29 december 2006) is de terugvordering ontstaan omdat, ondanks dat geen recht bestond op een suppletie-uitkering, de uitbetaling van suppletie-uitkering aan de betrokkene is voortgezet. Eerst begin 2007 heeft appellant ontdekt dat die uitbetaling onverschuldigd is geweest. Op dat moment was het kalenderjaar 2006 reeds verstreken, zodat bruto terugvordering van het onverschuldigd betaalde bedrag was aangewezen. Appellant heeft vervolgens eerst bij besluit van 17 maart 2008 daadwerkelijk de onverschuldigd betaalde uitkering bruto van betrokkene teruggevorderd.
4.6. Vast staat dat betrokkene redelijkerwijs heeft kunnen weten dat de betaling van suppletie-uitkering over deze periode onverschuldigd was, zodat appellant bevoegd was het onverschuldigd betaalde bedrag van betrokkene terug te vorderen. Weliswaar heeft het een behoorlijke tijd geduurd voordat appellant uiteindelijk tot terugvordering is overgegaan, maar die lange duur is niet de reden geweest om tot bruto terugvordering van de onverschuldigd betaalde suppletie-uitkering over te gaan. Dat is gelegen in het feit dat op het moment van ontdekking van de onverschuldigde betaling het kalenderjaar 2006 al verstreken was. Dat appellant daarna lang met de besluitvorming heeft gewacht, maakt dat niet anders. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant dan ook in redelijkheid kunnen besluiten om de onverschuldigd betaalde suppletie-uitkering over deze periode bruto van betrokkene terug te vorderen.
4.7. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant slaagt voor zover het ziet op de (bruto) terugvordering over de periode 6 juni 2006 tot en met 29 december 2006. Dat heeft tot gevolg dat het terugvorderingsbedrag niet in stand kan blijven en dient te worden aangepast. Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak, onder aanvulling van gronden, voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en K.J. Kraan en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2011.
(get.) K. Zeilemaker.
(get.) B. Bekkers.
HD