ECLI:NL:CRVB:2011:BQ5014
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K. Zeilemaker
- K.J. Kraan
- A.A.M. Mollee
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank over terugvordering suppletie-uitkering met aanpassing bruto terugvordering
De zaak betreft een hoger beroep van het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam over de terugvordering van onverschuldigd betaalde suppletie-uitkering aan een betrokkene. De betrokkene ontving suppletie-uitkering terwijl daar geen recht op bestond, waarna appellant de terugvordering bruto wilde uitvoeren.
De rechtbank oordeelde dat terugvordering mogelijk is, maar dat in dit geval niet bruto mocht worden teruggevorderd over de periode 22 december 2005 tot 6 juni 2006, omdat het ontstaan van de vordering niet aan betrokkene te wijten was en het niet redelijk was om bruto terug te vorderen. Voor de periode daarna was bruto terugvordering wel gerechtvaardigd.
De Raad bevestigt deze beoordeling en stelt dat voor de eerste periode sprake is van een bijzonder geval waardoor bruto terugvordering niet redelijk is. Voor de tweede periode is bruto terugvordering wel toegestaan omdat betrokkene redelijkerwijs kon weten dat de suppletie onverschuldigd was en het kalenderjaar 2006 al verstreken was bij ontdekking. De Raad past het terugvorderingsbedrag aan en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De Raad ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en benadrukt dat de Suppletieverordening geen specifieke bepalingen bevat over terugvordering, maar dat vaste rechtspraak de mogelijkheid tot bruto terugvordering biedt, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank met aanpassing van het bruto terugvorderingsbedrag over de periode 6 juni 2006 tot 29 december 2006.