ECLI:NL:CRVB:2011:BQ5042
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van weigering ziekengeld en medische grondslag bij Ziektewetuitkering
Appellante was werkzaam als administratief medewerker en ontving een Ziektewetuitkering wegens zwangerschaps- en bevallingsklachten. Na een beoordeling door een verzekeringsarts werd haar ziekengeld per 29 april 2008 geweigerd. De rechtbank vernietigde het bezwaarbesluit wegens onvoldoende medische grondslag en onduidelijke functieomschrijving, waarna het UWV het bezwaar opnieuw ongegrond verklaarde.
Appellante meldde zich op 1 februari 2009 ziek met klachten aan rechterhand en arm. De verzekeringsarts vond haar niet ongeschikt voor arbeid per 1 februari 2009, subsidiair per 20 april 2009, waarop het UWV het ziekengeld verder weigerde. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit gegrond en tegen het tweede ongegrond.
In hoger beroep bevestigt de Raad de instandhouding van de rechtsgevolgen van het eerste besluit, gebaseerd op een functieomschrijving die telefonisch door appellante is verstrekt. De Raad oordeelt dat de weigering van ziekengeld per 1 februari 2009 onvoldoende medisch is onderbouwd, mede gezien het huisartsjournaal dat pijnklachten bevestigt. De weigering per 20 april 2009 is wel voldoende onderbouwd en gemotiveerd.
De Raad vernietigt het besluit van 19 mei 2009 en bepaalt dat appellante vanaf 20 april 2009 geen recht meer heeft op ziekengeld. Tevens veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten van appellante en bepaalt vergoeding van griffierecht.
Uitkomst: Het beroep wordt deels gegrond verklaard, waarbij de weigering van ziekengeld per 1 februari 2009 wordt teruggedraaid en per 20 april 2009 wordt bevestigd.