ECLI:NL:CRVB:2011:BQ5044

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-842 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering van uitkering op basis van de Ziektewet na medisch onderzoek door bezwaarverzekeringsarts

In deze zaak gaat het om het hoger beroep van appellante tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 30 december 2009, waarin het beroep ongegrond werd verklaard. Appellante had een uitkering op basis van de Ziektewet (ZW) aangevraagd, maar het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) weigerde deze uitkering. De reden voor de weigering was dat appellante in staat werd geacht om ten minste één van de functies te vervullen die eerder geschikt waren bevonden in het kader van een WAO-beoordeling in 2003. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts zorgvuldig en volledig was uitgevoerd. Appellante stelde dat de bezwaarverzekeringsarts geen rekening had gehouden met het verzekeringsgeneeskundig protocol Whiplash, maar de rechtbank verwierp deze stelling, omdat het protocol niet verplicht van toepassing is bij de beoordeling van ongeschiktheid in het kader van de ZW.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat het hoger beroep niet slaagde. De Raad stelde vast dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 31 maart 2011 uitvoerig inging op de gronden van het hoger beroep en de nieuwe medische gegevens van neurologen. De bezwaarverzekeringsarts concludeerde dat de bij appellante vastgestelde polyneuropathie geen directe consequenties had voor de geschiktheid in medisch opzicht van de WAO-functies. Ook werd opgemerkt dat de whiplash-gerelateerde klachten al in de functionele mogelijkhedenlijst waren opgenomen en dat er geen aanleiding was om na de aanrijding in 2006 meer beperkingen aan te nemen. De Raad zag geen reden om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank of om nader medisch onderzoek in te stellen.

Uitspraak

10/842 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 30 december 2009, 09/3997 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 18 mei 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.A.E. Bol, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 25 maart 2011 heeft mr. Bol de gronden van het hoger beroep aangevuld en nadere stukken overgelegd.
Het Uwv heeft daarop gereageerd met een schrijven van 31 maart 2011, met als bijlage een rapport van diezelfde datum van de bezwaarverzekeringsarts G.K. Hebly.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2011. Appellante is verschenen met haar gemachtigde mr. Bol. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.F. Bär.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Voor een overzicht van de feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het navolgende.
1.2. Bij besluit van 30 maart 2009, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 29 april 2009 (het bestreden besluit), heeft het Uwv appellante met ingang van 31 maart 2009 (verdere) uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) geweigerd omdat appellante in staat was om ten minste één van de functies die voor haar in het kader van een voorgaande WAO-beoordeling in 2003 geschikt waren bevonden, te vervullen.
2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daartoe in de aangevallen uitspraak, kort samengevat, overwogen dat het medisch onderzoek van de (bezwaar)verzekeringsarts zorgvuldig en volledig is geweest. De stelling van appellante dat de (bezwaar)verzekeringsarts geen rekening heeft gehouden met het verzekeringsgeneeskundig protocol Whiplash heeft de rechtbank verworpen omdat dit protocol niet (verplicht) van toepassing is bij de beoordeling van ongeschiktheid in het kader van de ZW.
3. De Raad, oordelend over hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt als volgt.
3.1. De Raad stelt vast dat de bezwaarverzekeringsarts Hebly in zijn voornoemd rapport van 31 maart 2011 uitvoerig is ingegaan op de bij voornoemde brief van 25 maart 2011 aangevoerde gronden van het hoger beroep en op de daarbij overgelegde (nieuwe) medische gegevens van de neurologen dr. R.W.M. Keunen, dr. S.F.T.M. de Bruijn en
A. van de Zwart. Naar het oordeel van de Raad heeft hij voldoende overtuigend aangegeven waarom die informatie niet tot een andere conclusie hoefde te leiden. Voorts heeft deze bezwaarverzekeringsarts gerapporteerd dat de bij appellante vastgestelde polyneuropathie geen directe consequenties heeft voor de geschiktheid in medisch opzicht van de WAO-functies, omdat in deze functies zeer beperkt wordt gelopen en gestaan. Ook heeft hij aangegeven, dat de whiplash-gerelateerde klachten bij de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling in 2003 in de functionele mogelijkhedenlijst al tot uitdrukking waren gekomen en dat er geen aanleiding bestond om na de aanrijding (in 2006) op de datum in geding meer beperkingen aan te nemen. De Raad ziet, mede gelet op voormeld standpunt van de bezwaarverzekeringsarts, geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank of tot het instellen van een nader medisch onderzoek.
3.2. Gezien het vorenstaande komt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
4. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2011.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) R.L. Venneman.
NW