ECLI:NL:CRVB:2011:BQ5044
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Weigering van uitkering op basis van de Ziektewet na medisch onderzoek door bezwaarverzekeringsarts
In deze zaak gaat het om het hoger beroep van appellante tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 30 december 2009, waarin het beroep ongegrond werd verklaard. Appellante had een uitkering op basis van de Ziektewet (ZW) aangevraagd, maar het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) weigerde deze uitkering. De reden voor de weigering was dat appellante in staat werd geacht om ten minste één van de functies te vervullen die eerder geschikt waren bevonden in het kader van een WAO-beoordeling in 2003. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts zorgvuldig en volledig was uitgevoerd. Appellante stelde dat de bezwaarverzekeringsarts geen rekening had gehouden met het verzekeringsgeneeskundig protocol Whiplash, maar de rechtbank verwierp deze stelling, omdat het protocol niet verplicht van toepassing is bij de beoordeling van ongeschiktheid in het kader van de ZW.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat het hoger beroep niet slaagde. De Raad stelde vast dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 31 maart 2011 uitvoerig inging op de gronden van het hoger beroep en de nieuwe medische gegevens van neurologen. De bezwaarverzekeringsarts concludeerde dat de bij appellante vastgestelde polyneuropathie geen directe consequenties had voor de geschiktheid in medisch opzicht van de WAO-functies. Ook werd opgemerkt dat de whiplash-gerelateerde klachten al in de functionele mogelijkhedenlijst waren opgenomen en dat er geen aanleiding was om na de aanrijding in 2006 meer beperkingen aan te nemen. De Raad zag geen reden om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank of om nader medisch onderzoek in te stellen.