ECLI:NL:CRVB:2011:BQ5598

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-2974 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking van WAO-uitkering en beoordeling van arbeidsongeschiktheid

In deze zaak gaat het om het hoger beroep van appellante tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht, waarin de intrekking van haar WAO-uitkering door het Uwv werd bevestigd. De Centrale Raad van Beroep heeft op 18 mei 2011 uitspraak gedaan. Appellante, vertegenwoordigd door haar advocaat mr. J.A.M.B. Amting, stelde dat zij geen duurzaam benutbare mogelijkheden had en dat er onvoldoende medische informatie was opgevraagd. Het Uwv, vertegenwoordigd door A.M.M. Schalkwijk, verweerde zich door te wijzen op de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts, die volgens hen voldoende onderbouwing boden voor de intrekking van de uitkering.

De Raad overwoog dat de bezwaarverzekeringsarts voldoende informatie had ontvangen van de huisarts van appellante en dat er geen aanleiding was om aan te nemen dat bepaalde aspecten van haar gezondheidstoestand waren gemist. Appellante had geen nieuwe medische gegevens aangevoerd die haar standpunt konden onderbouwen. De Raad concludeerde dat de intrekking van de WAO-uitkering op een voldoende medische en arbeidskundige grondslag berustte. De rechtbank had eerder al geoordeeld dat het onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen zorgvuldig was geweest en dat de WSW-indicatie van appellante geen zelfstandige betekenis had in het kader van de WAO-beoordeling.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat er geen termen aanwezig waren om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, wat betekent dat er geen proceskostenvergoeding werd toegekend. De uitspraak werd openbaar uitgesproken op 18 mei 2011.

Uitspraak

10/2974 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante] wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 20 april 2010, 09/646 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 18 mei 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.A.M.B. Amting, advocaat te Amersfoort, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2011. Appellante is verschenen bij haar gemachtigde mr. Amting. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een uitvoerig overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank, gelet op de gedingstukken met juistheid, in de aangevallen uitspraak heeft weergegeven. De Raad vermeldt hier dat het Uwv, onder gegrondverklaring van het tegen zijn besluit van 5 mei 2008 gemaakte bezwaar, bij besluit van 29 januari 2009 (het bestreden besluit) de aan appellante verleende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 30 juni 2008 ongewijzigd heeft voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en die uitkering heeft ingetrokken per 13 januari 2009, omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 15% bedroeg.
2.1. De rechtbank heeft als haar oordeel gegeven dat de bij het bestreden besluit gedane intrekking van de WAO-uitkering niet op een ontoereikende dan wel op een onjuiste medische grondslag berust. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat onvoldoende aanleiding bestaat om aan te nemen dat het onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen niet zorgvuldig is geweest. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de bezwaarverzekeringsarts inlichtingen heeft ingewonnen bij appellantes huisarts. Met betrekking tot de door appellante voorgestane medische urenbeperking heeft de rechtbank overwogen dat daarvoor eerst plaats is, indien met het achterwege blijven van een urenbeperking niet op voldoende wijze aan de voor een betrokkene geldende mogelijkheden tegemoet wordt gekomen. De omstandigheid dat appellante een indicatie op grond van de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW) heeft gekregen en het WSW-contract uitgaat van 18 uur per week, maakt dat, aldus de rechtbank, niet anders. Een WSW-traject heeft een ander doel en is gebaseerd op een ander wettelijk kader met andere criteria dan de onderhavige WAO-beoordeling. Aan de in het WSW-traject gemaakte afspraken komt dan ook geen zelfstandige doorslaggevende betekenis toe en zij kunnen op zichzelf niet leiden tot de conclusie dat de belastbaarheid in het kader van de WAO onjuist is vastgesteld. Nu in de laatstgenoemde beoordeling het medisch onderzoek deugdelijk en zorgvuldig is geweest, bestaat er, aldus de rechtbank, geen aanleiding aan de juistheid van de uitkomst daarvan enkel op grond van de WSW-afspraken te twijfelen.
2.2. Ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank onderschreven. Daarop is het beroep ongegrond verklaard en het door appellante gedane verzoek om schadevergoeding afgewezen.
3.1. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft, dat er onvoldoende medisch informatie is opgevraagd, dat ten onrechte geen medische urenbeperking is aanvaard, waartoe appellante heeft gewezen op de WSW-indicatie en dat zij niet in staat is de geduide functies te vervullen gelet op haar beperkingen en omdat zij in het geheel geen werk op de vrije arbeidsmarkt kan verrichten.
3.2. Het Uwv heeft bij verweerschrift verwezen naar de diverse rapportages van de bezwaarverzekeringsarts, waarin naar zijn opvatting al uitgebreid op de beroepsgronden van appellante, die ook bij de rechtbank zijn aangevoerd, is ingegaan.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. De Raad volgt appellante niet dat sprake is van onvoldoende onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts. Deze heeft informatie ontvangen van de huisarts van appellante en die gaf geen aanleiding voor de veronderstelling dat bepaalde aspecten in de gezondheidstoestand van appellante waren gemist of anders gewaardeerd hadden behoren te worden. De Raad vermag dan ook niet in te zien waarom de bezwaarverzekeringsarts nadere informatie had behoren op te vragen. Als appellante aanleiding had om te veronderstellen dat uit beschikbare medische informatie een ander beeld zou oprijzen van haar gezondheidstoestand en haar medische beperkingen, dan had het op haar weg gelegen die medische informatie in de loop van het geding in te brengen, waartoe ook ruimschoots de gelegenheid is geweest.
4.3. Voor haar standpunt dat sprake is van een situatie van geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft appellante geen nieuwe medische gegevens aangevoerd. De Raad ontleent aan de beschikbare medische gegevens geen aanwijzingen dat appellantes gezondheidstoestand is onderschat.
4.4. Aan de WSW-indicatie en het gegeven dat appellante in een omvang van 18 uur in WSW-verband werkzaam is ontleent de Raad geen aanwijzingen dat appellante geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft dan wel dat in haar geval een urenbeperking is aangewezen. De Raad schaart zich achter de overwegingen dienaangaande van de rechtbank. Voorts overweegt de Raad dat in het in beroep overgelegde Basis Persoonlijk Ontwikkelingsplan (POP) dat is opgemaakt in het kader de indicering voor de WSW, een aantal lichamelijke, verstandelijke en psychische beperkingen is opgenomen, maar dat in die POP noch in de daarbij behorende stukken daarvoor een medische onderbouwing kan worden gevonden. Reeds daarom kan de Raad niet tot de conclusie komen dat de arbeidsbeperkingen van appellante in het kader van de WAO-beoordeling gelet op die WSW-indicatie zijn onderschat.
4.5. Uitgaande van de juistheid van de beperkingen als weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst die aan de arbeidsongeschiktheidschatting ten grondslag ligt, is de Raad van oordeel dat de belasting in de aan de schatting ten grondslag liggende functies in overeenstemming is met haar belastbaarheid.
5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2011.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) M.A. van Amerongen.
EK