ECLI:NL:CRVB:2011:BQ5605

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-3982 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende medische urenbeperking

Appellante was sinds 1999 in aanmerking gekomen voor een WAO-uitkering, laatstelijk vastgesteld op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 55 tot 65%. Het UWV trok deze uitkering in 2008 in, met ingang van januari 2009, en herzag dit besluit in 2009 met ingang van juli 2009. De rechtbank oordeelde dat de medische gegevens, waaronder de Functionele Mogelijkheden Lijst van november 2008, voldoende waren om de intrekking te rechtvaardigen en wees het verzoek om schadevergoeding af.

In hoger beroep stelde appellante dat haar verhoogde rustbehoefte en psychische klachten onvoldoende waren meegewogen en dat de intrekking van de urenbeperking onvoldoende was gemotiveerd. Zij betwistte ook de geschiktheid van de functies waarop de arbeidsongeschiktheidsschatting was gebaseerd. Het UWV stelde dat appellante geen nieuwe medische gegevens had aangeleverd en dat haar gronden een herhaling waren van eerdere bezwaren.

De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en stelde vast dat appellante onvoldoende nieuwe medische gegevens had ingebracht om twijfel te zaaien over de eerdere beoordeling. De medische urenbeperking werd niet noodzakelijk geacht, mede omdat appellante in een arbeidspatroon van 17,5 uur per week werkte en geen behandeling meer onderging voor psychische klachten. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en zag geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd wegens onvoldoende medische grondslag voor urenbeperking.

Uitspraak

10/3982 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 3 juni 2010, 09/2125 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 18 mei 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. S. Maradin, werkzaam bij CNV Vakmensen te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2011. Appellante is met schriftelijke kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellante is per 19 mei 1999 in aanmerking gebracht vooor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van 55 tot 65%. Bij besluit van 28 november 2008 heeft het Uwv deze uitkering ingetrokken met ingang van 29 januari 2009. Bij besluit van 24 juni 2009 heeft het Uwv, onder gegrondverklaring van het tegen het besluit van 28 november 2008 gemaakte bezwaar, dit besluit herroepen en de uitkering ingetrokken met ingang van 27 juli 2009.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak geoordeeld dat er geen medische gegevens zijn (overgelegd), die twijfel doen rijzen aan de door de verzekeringsarts opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst van 3 november 2008, waarin de belastbaarheid van appellante voor het verrichten van arbeid is weergegeven. Uitgaande van die belastbaarheid is de rechtbank van oordeel dat voldoende is gemotiveerd waarom de belasting in de aan de arbeidsongeschiktheidsschatting ten grondslag liggende functies daarmee in overeenstemming is. De rechtbank heeft daarop het bestreden besluit in stand gelaten en het door appellante gedane verzoek om schadevergoeding afgewezen.
3.1. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat bij de medische oordeelsvorming haar verhoogde rustbehoefte niet is betrokken, dat haar psychische klachten zijn onderschat en dat het laten vervallen van de eerder aanvaarde medische urenbeperking onvoldoende is gemotiveerd. Voorts heeft zij de geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag liggende functies aan de hand van op internet gevonden voorbeelden gemotiveerd betwist.
3.2. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat appellante haar stellingen ten aanzien van haar medische situatie niet met nieuwe medische gegevens heeft onderbouwd en dat haar gronden in essentie een herhaling vormen van hetgeen zij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen. Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd vormt, gelijk door het Uwv is aangevoerd, in essentie een herhaling van de eerder door appellante aangevoerde stellingen die door de rechtbank al zijn beoordeeld en op goede gronden zijn verworpen.
4.3. Ten aanzien van de door appellante voorgestane urenbeperking overweegt de Raad dat de omstandigheid dat zij ten tijde in geding in een arbeidspatroon werkte van 17,5 uur per week als cateringmedewerkster op zich niet een urenbeperking rechtvaardigt. Dienaangaande heeft de verzekeringsarts W.S. Vrijlandt bij rapport van 29 oktober 2008 opgemerkt dat als appellante werkzaam zou zijn in functies waarin zij haar armen minder zou belasten dan in haar huidige functie, voor een beperking van het aantal uren geen reden is. De bezwaarverzekeringsarts S. Groeneveld heeft dit standpunt onderschreven. Verder heeft hij van belang geacht dat appellante voor psychische klachten, in verband waarmee bij een eerdere beoordeling een urenbeperking was aanvaard, niet meer onder behandeling was en dat sprake is van een nagenoeg normaal dagverhaal. Appellante heeft geen nieuwe medische gegevens ingebracht die aan dit standpunt twijfel doen rijzen. Voor een medische urenbeperking als door appellante wordt gewenst ziet de Raad dan ook met betrekking tot de thans aan de orde zijnde datum 27 juli 2009 geen noodzaak.
5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2011.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) M.A. van Amerongen.
EK