ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6107
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- T. Hoogenboom
- A.A.H. Schifferstein
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering WAO-uitkering wegens beëindiging arbeidsongeschiktheid
Appellant betwistte de intrekking en terugvordering van zijn WAO-uitkering door het UWV, stellende dat de rechtbank in 2007 bindend had vastgesteld dat hij recht had op een WAO-uitkering vanaf 1 januari 2006. De Raad oordeelde echter dat de rechtbank destijds geen bindende uitspraak deed over de mate van arbeidsongeschiktheid vanaf die datum, maar slechts over de dagloonberekening.
Het UWV had de uitkering ingetrokken per 1 augustus 2005 omdat de periode van drie jaar arbeidsongeschiktheid was verstreken en de werkzaamheden van appellant als algemeen geaccepteerde arbeid werden aangemerkt. De Raad vond dat het UWV dit terecht met terugwerkende kracht toepaste en dat appellant redelijkerwijs kon weten dat de uitkering zou worden ingetrokken.
Appellant voerde aan dat hij recht had op een WAO-uitkering vanwege zijn psychische klachten vanaf 23 december 2005 en dat de toekenning van een WIA-uitkering onterecht was. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek van het UWV juist was en dat appellant geen gegevens had aangeleverd die dit in twijfel konden trekken.
De terugvordering van € 24.226,68 was volgens de Raad terecht omdat de uitkering over de periode na 1 augustus 2005 onverschuldigd was betaald. Appellant bracht geen onderbouwing tegen het teruggevorderde bedrag in.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep van appellant af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de WAO-uitkering heeft ingetrokken en teruggevorderd wegens beëindiging van arbeidsongeschiktheid per 1 augustus 2005.