ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6618

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-1238 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.G. Treffers
  • R. Kooper
  • K.J. Kraan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 211 Ambtenarenreglement AmsterdamArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging tijdelijke aanstelling ambtenaar wegens onvoldoende functioneren en gedragingen

Appellant was sinds 1 juni 2007 tijdelijk aangesteld bij de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam. Na een onderzoek naar zijn functioneren en gedragingen, waaronder een onterechte declaratie van werktijd op 5 september 2007, werd zijn tijdelijke aanstelling per 1 juni 2008 beëindigd en niet verlengd.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad oordeelt dat de gedragingen en de beoordeling van appellant voldoende grond boden voor het besluit tot beëindiging.

Daarnaast merkt de Raad op dat appellant naast de specifieke gedragingen op 5 september 2007 ook andere gedragingen vertoonde die aanleiding gaven tot twijfel bij zijn leidinggevenden. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: De tijdelijke aanstelling van appellant wordt per 1 juni 2008 beëindigd en niet verlengd.

Uitspraak

10/1238 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 januari 2010, 08/4024 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: college)
Datum uitspraak: 19 mei 2011
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2011. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.C.D. van der Linde, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.1. Appellant is met ingang van 1 juni 2007 op grond van artikel 211 van Pro het Ambtenarenreglement Amsterdam aangesteld in tijdelijke dienst bij wijze van proef voor de duur van een jaar bij de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam.
1.2. Bij brief van 15 januari 2008 is appellant meegedeeld dat enige gedragingen (in het bijzonder: een onterechte declaratie van werktijd op 5 september 2007) ernstig worden afgekeurd. Deze brief was gebaseerd op een rapport van 30 november 2007 van het onderzoek dat een medewerker van het Bureau Integriteit DWI naar die gedragingen had ingesteld.
1.3. Op 6 maart 2008 is een beoordeling opgemaakt over het functioneren van appellant, aan wie in verband met de genoemde gedragingen per 7 september 2007 buitengewoon verlof was verleend, over zijn functioneren in de periode van juni tot september 2007. Deze beoordeling luidde op het aspect van houding ten aanzien van zaken onvoldoende. Tegen deze beoordeling heeft appellant geen bezwaar gemaakt, zodat deze als rechtens onaantastbaar heeft te gelden.
1.4. Bij besluit van 13 maart 2008 is appellant bericht dat zijn tijdelijke aanstelling eindigt per 1 juni 2008 en niet zal worden verlengd. Het bezwaar van appellant tegen dat besluit is bij besluit van 2 september 2008 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.
3.1. De Raad stelt voorop dat de rechtbank, gelet op de in rechtsoverweging 3.1 van de aangevallen uitspraak genoemde rechtspraak van de Raad, het bestreden besluit met inachtneming van de juiste rechterlijke toetsingsmaatstaf heeft beoordeeld. De Raad verwijst naar die rechtsoverweging.
3.2. De Raad kan voorts de aangevallen uitgevallen uitspraak goeddeels onderschrijven. De Raad is in het bijzonder van oordeel dat reeds de gedragingen van appellant die bij de onder overweging 1.2 genoemde brief van 15 januari 2008 zijn afgekeurd en de beoordeling van 6 maart 2008, het college voldoende grondslag boden voor het besluit om de tijdelijke aanstelling van appellant per 1 juni 2008 te beëindigen en niet te verlengen. Hierbij merkt de Raad nog op dat appellant in de (korte) periode van zijn functioneren als handhavingspecialist, naast de gedragingen op 5 september 2007, nog andere gedragingen aan de dag heeft gelegd, waarbij zijn leidinggevenden ten minste vraagtekens hebben moeten plaatsen.
3.3. De Raad komt dus tot de slotsom dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en R. Kooper en K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2011.
(get.) J.G. Treffers.
(get.) B. Bekkers.
HD