ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7185
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing van aanvraag tot hernieuwde toekenning van WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant ontving sinds 1980 een WAO-uitkering vanwege chronische bronchitisklachten, maar deze werd in 1985 ingetrokken wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid. In 2006 verzocht appellant vanuit Marokko om hernieuwde toekenning van de WAO-uitkering, stellende dat hij sindsdien arbeidsongeschikt is. Het UWV wees dit verzoek af omdat er geen sprake was van nieuwe feiten of toename van beperkingen binnen vijf jaar na intrekking, zoals vereist onder artikel 43a WAO.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat artikel 43a WAO niet van toepassing is op appellant omdat zijn uitkering vóór de inwerkingtreding van dit artikel was ingetrokken. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en oordeelt dat het UWV terecht toepassing gaf aan artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om het verzoek af te wijzen wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.
De Raad overweegt dat de medische stukken die appellant na het bestreden besluit aanvoerde, niet relevant zijn voor de periode 1980-1985 en geen nieuwe feiten bevatten die herziening rechtvaardigen. Het UWV heeft derhalve niet onredelijk gehandeld. De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de aanvraag tot hernieuwde toekenning van de WAO-uitkering wordt bevestigd.