ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7273

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-5507 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Riphagen
  • T.J. van der Torn
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering van uitkering op basis van de Ziektewet na arbeidsgeschiktverklaring

In deze zaak gaat het om het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad, waarin zijn beroep tegen de weigering van een uitkering op basis van de Ziektewet (ZW) ongegrond werd verklaard. Appellant, die als bedrijfsleider werkte, had zich ziek gemeld met psychische klachten na de opheffing van het visfileerbedrijf van zijn broer. De verzekeringsarts van het Uwv verklaarde hem geschikt voor arbeid, wat leidde tot de ontzegging van zijn ZW-uitkering. Appellant maakte bezwaar tegen deze beslissing, maar het bezwaar werd ongegrond verklaard door de bezwaarverzekeringsarts. In hoger beroep herhaalde appellant zijn eerdere argumenten, waaronder de ernst van zijn psychische klachten en de impact van een eerdere onterechte detentie op zijn geestelijke gezondheid. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de onderbouwing van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts voldoende was en dat er geen tegenstrijdigheden waren in de verklaringen van de huisarts. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank, waarbij werd vastgesteld dat appellant in staat was om zijn werkzaamheden te verrichten, ondanks de aanwezige spanningsklachten. De Raad zag geen aanleiding om een van de partijen in de proceskosten te veroordelen.

Uitspraak

09/5507 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 27 augustus 2009, 08/1856 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 1 juni 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft P.A.J. van Putten, advocaat te Almere, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Voormelde gemachtigde heeft bij brief van 22 december 2009 nog een nader stuk in het geding gebracht.
Het Uwv heeft bij brief van 18 januari 2010 een rapport van 15 januari 2010 van G.P.J. de Kanter, bezwaarverzekeringsarts, ingezonden.
Voormelde gemachtigde heeft bij schrijven van 12 april 2011 enkele nadere stukken naar de Raad gezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2011. De gemachtigde van appellant was aanwezig. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door H. ten Brinke.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellant was werkzaam als bedrijfsleider in het visfileerbedrijf (van zijn broer). In verband met de opheffing van dit bedrijf heeft appellant per 26 februari 2007 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontvangen. Met ingang van 7 mei 2008 heeft hij zich ziek gemeld met klachten van psychische aard. Na onderzoek door een verzekeringsarts van het Uwv die geen ernstige psychopathologie heeft vastgesteld, is appellant per 20 juni 2008 geschikt verklaard voor het verrichten van zijn arbeid en is hem verdere uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) ontzegd. Zulks is hem bij besluit van 19 juni 2008 medegedeeld. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Na onderzoek door voormelde bezwaarverzekeringsarts De Kanter is dit bezwaar bij besluit van 4 september 2008 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Namens appellant is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daartoe heeft appellant - evenals in bezwaar - onder meer gesteld, dat de ernst van zijn psychische klachten is onderschat en dat deze samenhangen met het gegeven dat hij eind februari 2007 samen met de chauffeur van een vrachtwagen die geladen met vis uit Spanje was teruggekeerd, door de politie is opgepakt en twee dagen gedetineerd is geweest omdat zij - naar achteraf bleek ten onrechte - werden verdacht van drugssmokkel. Appellant heeft met betrekking tot de ernst van zijn psychische aandoening verwezen naar verklaringen van zijn (toenmalige) huisarts A. Schonewille, van 9 januari 2009 en naar brieven van zijn behandelend psychiater F. Kaya te Deventer.
3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant ongegrond verklaard.
4. Namens appellant is in hoger beroep het eerder aangevoerde herhaald en is erop gewezen dat geen sprake is van enige tegenstrijdigheid tussen de verschillende verklaringen van zijn huisarts.
5.1. De Raad oordeelt als volgt.
5.2. De Raad kan de conclusie van de rechtbank onderschrijven en heeft geen, althans onvoldoende, aanknopingspunten gevonden om de onderbouwing van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts voor de arbeidsgeschiktverklaring van appellant voor onjuist te houden. Daartoe hebben deze artsen (verkort weergegeven) gesteld dat er weliswaar sprake is van spanningsklachten en stress, maar dat een en ander niet zodanig ernstig is dat appellant zijn werk - voornamelijk laden en lossen van vis, controleren en contact met klanten - niet zou kunnen doen. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellant nogmaals onderzocht en rekening gehouden met de informatie van behandelaars, terwijl de huisarts J. Nielen - naar ter zitting is bevestigd: de opvolger van A. Schonewille voornoemd - in een brief van 2 november 2009 opmerkt, dat appellant blijkens het dossier tot mei 2008 het spreekuur slechts heeft bezocht voor “kleine huisartsgeneeskundige problemen” (hetgeen bevestigd wordt door het beschikbare huisartsenjournaal). H.C.M. Mul, psychiater verbonden aan Meerkanten geestelijke gezondheidszorg, waar appellant aanvankelijk onder behandeling was, rept in zijn brief van 15 april 2009 alleen over stressklachten bij een niet gespecificeerde aanpassingsstoornis en het geven van steunend gesprekscontact. De verklaringen van de voormalige huisarts van appellant, A. Schonewille, van 9 januari 2009 en die van F. Kaya voornoemd van 17 juli en 18 december 2009 leggen daartegenover onvoldoende gewicht in de schaal. Schonewille spreekt van een ernstig verminderde belastbaarheid, maar haar verklaring heeft geen betrekking op de datum in geding; Kaya meent dat waarschijnlijk sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid, maar een onderbouwing daarvan via psychiatrische onderzoeksbevindingen wordt niet gegeven.
5.3. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
6. De Raad ziet geen aanleiding een der partijen te veroordelen in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen als voorzitter, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2011.
(get.) J. Riphagen.
(get.) T.J. van der Torn.
NK