ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7816
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering na beoordeling medische beperkingen
Appellante, sinds 1995 arbeidsongeschikt wegens onder meer gynaecologische en psychische klachten, kreeg in 1996 een WAO-uitkering toegekend. In oktober 2008 werd deze uitkering ingetrokken wegens vermindering van haar arbeidsongeschiktheid tot minder dan 15%. Na bezwaar werd de uitkering in april 2009 herzien naar een mate van 15 tot 25% arbeidsongeschiktheid per 11 december 2008.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze herziening ongegrond, omdat de medische beperkingen zoals vastgelegd in de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van maart 2009 zorgvuldig waren vastgesteld en er geen objectief bewijs was van aanvullende beperkingen op de datum in geding. Ook de vermeende toename van beperkingen per 4 maart 2010, waarop appellante zich beroept, bracht volgens de rechtbank geen wijziging in de beoordeling van de situatie per 11 december 2008.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het standpunt van het UWV over haar toegenomen beperkingen per 4 maart 2010 ook gevolgen zou moeten hebben voor de beoordeling van haar situatie per 11 december 2008, met name vanwege haar fibromyalgie. De Raad oordeelt echter dat er geen objectief medisch bewijs is dat de toegenomen beperkingen van 2010 ook al eerder bestonden. De persoonlijke ervaring van appellante dat haar situatie niet wezenlijk veranderde, is onvoldoende om het oordeel te wijzigen.
De Raad bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering per 11 december 2008 en wijst het hoger beroep af.