ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8278
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering WW- en ZW-uitkering en proceskostenvergoeding
In deze zaak stond de weigering van het UWV om een WW- en ZW-uitkering toe te kennen centraal. Appellant stelde dat hij vanaf zijn eerste ziektedag op 24 oktober 2006 tot 15 februari 2007 geen inkomen had genoten en daarom aanspraak maakte op een uitkering. De Raad stelde vast dat het UWV bij besluit van 8 december 2010 alsnog ziekengeld had toegekend vanaf 15 februari 2007 en dat de wettelijke rente was vergoed.
De Raad oordeelde dat appellant zijn stelling over het ontbreken van inkomen in de periode van oktober 2006 tot februari 2007 niet had onderbouwd. Uit de loonstroken en het dienstverband bij de voormalige werkgever bleek dat hij tot 15 februari 2007 loon had ontvangen. Daarom werd het beroep tegen de weigering van uitkering over die periode ongegrond verklaard.
De eerdere uitspraak werd vernietigd voor zover deze over de ZW-uitkering ging, maar bleef in stand voor de vergoeding van griffierecht en proceskosten in eerste aanleg. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep en tot terugbetaling van het betaalde griffierecht. De Raad bevestigde hiermee de rechtmatigheid van het UWV-besluit en wees de overige beroepen af.
Uitkomst: Appellant krijgt geen uitkering voor periode 24 oktober 2006 tot 15 februari 2007; UWV moet proceskosten en griffierecht vergoeden.