ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8692
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Riphagen
- H. Bolt
- A.A.H. Schifferstein
- Rechtspraak.nl
Beoordeling causaal verband tussen zwangerschap en arbeidsongeschiktheid na bevallingsverlof
Appellante, werkzaam als docente Engels, ontving een Ziektewet-uitkering op grond van artikel 29a, eerste lid, gevolgd door een WAZO-uitkering vanwege zwangerschap en bevalling, en daarna een ZW-uitkering op grond van artikel 29a, vierde lid, naar 100% van het dagloon. Het Uwv besloot de uitkering te verlagen naar 70% van het dagloon omdat de psychische klachten van appellante niet direct werden veroorzaakt door zwangerschap of bevalling.
Appellante stelde dat haar psychische klachten wel degelijk voortvloeiden uit de zwangerschap en bevalling, onderbouwd met verklaringen van haar huisarts en psycholoog. Het Uwv bracht een rapport uit van een bezwaarverzekeringsarts die stelde dat het ging om een aanpassingsprobleem, waarbij de zwangerschap en bevalling slechts een luxerend moment waren, maar niet de directe oorzaak.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad oordeelde dat de verklaringen van de huisarts en psycholoog onvoldoende onderbouwing boden voor een causaal verband en dat het oordeel van de artsen van het Uwv juist was. Het hoger beroep werd verworpen en het besluit van het Uwv bleef in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het Uwv tot verlaging van de ZW-uitkering blijft in stand.