ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9220

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-2308 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K. Zeilemaker
  • K.J. Kraan
  • J.L.P.G. van Thiel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 76 BarpArt. 77, eerste lid, aanhef en onder j, BarpArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging strafontslag wegens geweld tegen echtgenote en ernstig plichtsverzuim

Appellant, werkzaam bij de politieregio Rotterdam-Rijnmond, werd op grond van een onderzoek van Bureau Interne Zaken strafontslag verleend wegens herhaaldelijk gebruik van geweld tegen zijn echtgenote. Dit grensoverschrijdende gedrag in de privésfeer had ook negatieve gevolgen voor het aanzien van het politiekorps.

De korpsbeheerder verklaarde het bezwaar van appellant tegen het ontslagbesluit ongegrond, waarna de rechtbank dit bevestigde. In hoger beroep oordeelt de Raad dat het gedrag van appellant voldoende vaststaat en verwijtbaar is, ongeacht de privésfeer waarin het plaatsvond. Het feit dat appellant geen gebruik maakte van aangeboden hulp doet hieraan niet af.

De Raad stelt vast dat appellant het vertrouwen ernstig heeft beschaamd en de integriteit van het korps heeft geschaad. De opgelegde straf van onvoorwaardelijk strafontslag is proportioneel gezien de ernst van het plichtsverzuim, ondanks de lange onberispelijke staat van dienst en het belang van appellant bij voortzetting van het dienstverband. Het hoger beroep wordt verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het strafontslag wordt bevestigd.

Uitspraak

10/2308 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 maart 2010, 09/649 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Korpsbeheerder van de politieregio Rotterdam-Rijnmond (hierna: korpsbeheerder)
Datum uitspraak: 16 juni 2011
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door G.N.R. Priem MSc., juridisch adviseur te Varik. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Konijnendijk, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.Appellant was laatstelijk werkzaam als [naam functie] bij de [naam Dienst] van de politieregio Rotterdam-Rijnmond. Bij brief van 3 juni 2008 heeft de korpsbeheerder appellant meegedeeld dat uit een door Bureau Interne Zaken ingesteld onderzoek is gebleken dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan (zeer ernstig) plichtsverzuim in de zin van artikel 76 van Pro het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp), en dat het voornemen bestaat om hem op grond van dit plichtsverzuim bij wijze van disciplinaire straf ontslag te verlenen. Nadat appellant naar aanleiding van dit voornemen was gehoord heeft de korpsbeheerder appellant bij besluit van 26 augustus 2008 op grond van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Barp met onmiddellijke ingang strafontslag verleend. Het aan appellant verweten plichtsverzuim bestaat uit het bij herhaling gebruiken van geweld jegens zijn echtgenote. Daarnaast wordt appellant het verwijt gemaakt dat hij tijdens de ruzies met zijn echtgenote de situatie niet heeft weten te beheersen, zodat de politie tot tweemaal toe ter plaatse heeft moeten komen. Bij besluit van 27 januari 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft de korpsbeheerder het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 augustus 2008 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad het volgende.
3.1. Gelet op de gedingstukken, waaronder zich processen-verbaal bevinden die hebben geleid tot de strafrechtelijke veroordeling van appellant ter zake van de mishandeling van zijn echtgenote, is ook voor de Raad voldoende aannemelijk geworden dat appellant zich heeft gedragen op een wijze als hem door de korpsbeheerder blijkens het hiervoor overwogene is verweten. Deze gedragingen staan vast en zijn appellant te verwijten. De stelling dat appellant niet als eerste zou hebben geslagen kan, indien al juist, geen enkele rechtvaardiging vormen voor het geschetste gedrag van appellant. De omstandigheid dat bedoeld agressief gedrag zich in de privésfeer heeft voorgedaan doet evenmin af aan de verwijtbaarheid van de desbetreffende gedragingen en aan het karakter van plichtsverzuim. Er is immers sprake van grensoverschrijdend gedrag dat ook zijn weerslag heeft op het aanzien van het politiekorps. Voor zover appellant wenst te betogen dat de korpsbeheerder op de hoogte was van zijn relationele problemen, maar hem nimmer enigerlei hulp of ondersteuning heeft geboden kan de Raad appellant daarin niet volgen. De gedingstukken laten immers zien dat de leidinggevende appellant heeft aangeraden zich te vervoegen bij bedrijfsmaatschappelijk werk. Appellant heeft er om hem moverende redenen van afgezien gebruik te maken van deze mogelijkheid. De Raad kan niet inzien dat de korpsbeheerder op dit punt is tekortgeschoten.
3.2. Door zijn optreden heeft appellant het in hem gestelde vertrouwen ernstig beschaamd, de integriteit van het korps in diskrediet gebracht en de dienst schade toegebracht. De korpsbeheerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat appellant zich heeft schuldig gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim. Nu de Raad verder niet is kunnen blijken dat appellant voormeld plichtsverzuim niet kan worden aangerekend, kwam de korpsbeheerder de bevoegdheid toe appellant een disciplinaire straf op te leggen.
3.3. Gelet op de ernst van het plichtsverzuim acht de Raad de opgelegde straf van onvoorwaardelijk strafontslag niet onevenredig aan dit verzuim. De langdurige onberispelijke staat van dienst van appellant en de omstandigheid dat appellant een groot belang heeft bij voortzetting van zijn dienstverband kunnen de Raad niet tot een ander oordeel brengen.
3.4. De Raad komt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en K.J. Kraan en J.L.P.G. van Thiel als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2011.
(get.) K. Zeilemaker.
(get.) N.M. van Gorkum.
HD