Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9491

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-3657 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.J. Simon
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 21 lid 6 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Centrale Raad van Beroep vernietigt afwijzing AOW-uitkering wegens onjuiste toetsing

Appellant, geboren in 1934 en woonachtig in Marokko, heeft in 1999 een AOW-uitkering aangevraagd op basis van zijn verblijf en werk in Nederland tussen 1971 en 1978. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees zijn aanvraag in 2002 af omdat niet was gebleken dat appellant verzekerd was voor de AOW. Appellant deed in 2005 en opnieuw in 2009 een verzoek tot toekenning van de uitkering, dat ook werd afgewezen met verwijzing naar artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd. In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het eerdere besluit van 2002 rechtens onaantastbaar is, maar dat het toetsingskader dat de Svb en rechtbank hebben gehanteerd onjuist was. De Raad stelt dat bij duuraanspraken een onderscheid moet worden gemaakt tussen het verleden en de toekomst en dat de toetsing van de Svb onvoldoende was.

De Raad vernietigt het besluit op bezwaar van 1 april 2009 en draagt de Svb op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen volgens het juiste toetsingskader. Gelet op het ingediende bewijs acht de Raad het aannemelijk dat appellant tijdelijk verzekerd is geweest voor de AOW. De uitspraak is gedaan door H.J. Simon op 24 juni 2011.

Uitkomst: Het besluit van de Sociale verzekeringsbank wordt vernietigd en zij wordt opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen volgens het juiste toetsingskader.

Uitspraak

10/3657 AOW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
T U S S E N U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te Marokko (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 mei 2010, 09/1904 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 24 juni 2011
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
De Svb heeft van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 27 mei 2011.
Appellant is, met bericht van verhindering, niet verschenen ter zitting. Voor de Svb is verschenen mr. H.S. van Zanten.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant, geboren [in] 1934, woont in Marokko. Bij brief gedateerd 16 september 1999 heeft hij een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) aangevraagd. Daarbij heeft hij gesteld dat hij van 1971 tot 1978 in Nederland heeft gewoond en gewerkt. Ten bewijze dat hij in Nederland verzekerd was heeft hij de naam en het adres van zijn toenmalige werkgever opgegeven en een kopie van zijn verplichte verzekering ingevolge de Ziekenfondswet ingestuurd.
1.2. Bij besluit van 20 december 2002 heeft de Svb aan appellant meegedeeld dat zijn verzoek om toekenning van een pensioen ingevolge de AOW is afgewezen. Opgemerkt wordt dat niet is gebleken dat appellant verzekerd is geweest voor de AOW. Appellant heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend.
1.3. In februari 2005 heeft appellant opnieuw verzocht om toekenning van een uitkering ingevolge de AOW. Daarbij heeft appellant een beslissing overgelegd gedateerd 27 januari 1976 van het hoofd plaatselijke politie te Driebergen, waarbij een aanvraag van appellant om toekenning van een vergunning tot verblijf is afgewezen.
1.4. Bij brief gedateerd 9 februari 2009 heeft appellant opnieuw verzocht om toekenning van een uitkering ingevolge de AOW.
1.5. Bij besluit van 27 februari 2009 heeft de Svb deze aanvraag afgewezen. Daarbij is verwezen naar de beslissing van 20 december 2002 en is opgemerkt dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangedragen. Verwezen is naar artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.1. In bezwaar heeft appellant aangegeven dat hij destijds heeft gewoond op het adres [adres 1] te [gemeente]. Voor het overige heeft hij alle gegevens waarover hij beschikte reeds opgestuurd.
2.2. Bij besluit van 1 april 2009 heeft de Svb het bezwaar ongegrond verklaard. Raadpleging van het schakelregister heeft uitgewezen dat appellant op het opgegeven adres, [adres 1] te [gemeente], niet voorkomt. Ook de gemeente Utrecht heeft desgevraagd laten weten dat appellant op het opgegeven adres niet bekend is. Van nieuw gebleken feiten of omstandigheden is, aldus de Svb, niet gebleken. Verder is niet gebleken dat het oorspronkelijke besluit onmiskenbaar onjuist moet worden geacht.
3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard. Door appellant zijn geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aangedragen zodat de Svb voor de motivering van haar besluit heeft kunnen volstaan met verwijzing naar het besluit van 20 december 2002.
4.1. In hoger beroep hebben partijen hun eerder ingenomen stellingen in essentie herhaald.
4.2. Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of de rechtbank met recht heeft geoordeeld dat het Uwv de aanvraag van appellant om toekenning van een uitkering ingevolge de AOW terecht heeft afgewezen onder verwijzing naar artikel 4:6 van Pro de Awb.
4.3. De Raad overweegt het volgende.
4.4. Allereerst stelt de Raad vast dat het besluit van 20 december 2002 rechtens onaantastbaar is geworden. Het thans aan de orde zijnde verzoek van appellant van 9 februari 2009 strekt ertoe dat de Svb van dat eerdere besluit terugkomt. Ten aanzien van de afwijzing van dergelijke verzoeken hanteert de Raad de volgende toetsingsnorm.
4.5. In gevallen als de onderhavige, waarin duuraanspraken in het geding zijn, is het aangewezen bij de toetsing een onderscheid te maken tussen het verleden en de toekomst (CRvB 1 februari 2001, TAR 2001, 43). Wat betreft de periode voorafgaande aan de nieuwe aanvraag, dient de bestuursrechter zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Wat betreft de periode daarna zal het in beginsel niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar zijn dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend, blijvend aan de verzoeker kan worden tegengeworpen.
Eerbiediging van de rechtszekerheid, waarop ook het bestuursorgaan aanspraak kan maken, is immers voor de toekomst van minder belang dan voor het verleden.
4.6. In het licht van de hiervoor weergegeven toetsingsmaatstaf stelt de Raad vast dat een toetsing als hiervoor weergegeven door de Svb niet is verricht en dat ook de rechtbank aan het aangegeven toetsingskader voorbij is gegaan. Dit betekent dat het besluit op bezwaar van 1 april 2009 zal moeten worden vernietigd.
4.7. De Raad dient aansluitend te bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. Daarbij stelt de Raad voorop, dat de bestuursrechter bij een (te verwachten) vernietiging van een besluit op kenbare wijze de mogelijkheden tot definitieve beslechting van het geschil behoort te onderzoeken. Dit houdt in, dat de bestuursrechter eerst dient na te gaan of de rechtsgevolgen van een te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten dan wel of hij zelf in de zaak kan voorzien. Ligt een van deze mogelijkheden redelijkerwijs niet binnen bereik, dan dient de bestuursrechter na te gaan of een - formele dan wel informele - bestuurlijke lus een reële mogelijkheid is.
4.8. In het voorliggende geval ziet de Raad, gelet op het gegeven dat thans te weinig gegevens beschikbaar zijn om zelf in de zaak in te voorzien, aanleiding met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet de Svb op te dragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen, waarbij wordt beslist conform het hiervoor weergegeven toetsingskader. Daarbij merkt de Raad nog op dat blijkens de uitspraak van de Raad van 12 maart 2009, LJN BH6073, de gemachtigde van de Svb in die zaak heeft verklaard dat de Svb het, gelet op het door appellant ingediende bewijs van inschrijving bij het ziekenfonds, aannemelijk vindt dat appellant in ieder geval tijdelijk verzekerd is geweest voor de AOW.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Draagt de Svb op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 1 april 2009 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar 24 juni 2011.
(get.) H.J. Simon.
(get.) N.S.A. El Hana.
TM