ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9574
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering te veel betaalde WAO-uitkering ondanks beroep op dringende reden
Appellante ontving vanaf 1999 een WAO-uitkering die vanaf 1 september 2008 werd geschorst en vervolgens met terugwerkende kracht over 2005 tot 2007 werd gekort. Het UWV besloot de uitkering per 1 januari 2008 te beëindigen omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Appellante ontving over de periode 1 januari 2005 tot 1 augustus 2008 in totaal €22.882,34 te veel, welk bedrag het UWV terugvorderde.
Appellante voerde aan dat zij door nalatigheid van het UWV geen inkomstenformulieren ontving en daardoor met een grote schuld zat. Zij stelde dat de terugvordering desastreuze financiële gevolgen heeft, omdat zij de rest van haar werkzame leven van een minimuminkomen moet rondkomen en financieel niets meer kan betekenen voor haar kinderen.
De rechtbank verwierp het beroep van appellante op een dringende reden voor kwijtschelding van terugvordering, omdat het moeten rondkomen van een minimuminkomen geen dringende reden vormt. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en overweegt dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de terugvordering onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen heeft. De Raad ziet geen aanleiding om af te wijken van het terugvorderingsbesluit en bevestigt de aangevallen uitspraak.
Uitkomst: De terugvordering van €22.882,34 te veel betaalde WAO-uitkering wordt bevestigd omdat geen dringende reden voor kwijtschelding is aangetoond.