ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9890

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-4480 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.H.M. Roelofs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54 lid 3 WWBArt. 58 lid 1 WWB
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening en terugvordering bijstandsuitkering wegens niet-melden inkomsten

Appellant ontving bijstand van maart 2005 tot mei 2007. Naar aanleiding van een signaal van het Inlichtingenbureau en looninformatie van Vacatureweb bleek dat appellant in mei 2006 arbeidsinkomsten had ontvangen die niet aan het College waren gemeld.

Het College herzag de bijstand over die periode en vorderde de gemaakte kosten van € 792,59 terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond, vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand.

In hoger beroep betwist appellant de terugvordering en verzocht om schadevergoeding, stellende dat € 1.774,97 was teruggevorderd. De Raad oordeelde dat het College voldoende aannemelijk had gemaakt dat appellant inkomsten had ontvangen en de inlichtingenplicht had geschonden.

De Raad bevestigde het besluit tot herziening en terugvordering, vond geen bewijs voor de hogere terugvordering en wees het schadevergoedingsverzoek af. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van bijstand en wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Uitspraak

09/4480 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 19 juni 2009, 08/3487 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda (hierna: College)
Datum uitspraak: 14 juni 2011
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 3 mei 2011. Partijen zijn niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant ontving gedurende de periode van 17 maart 2005 tot 11 mei 2007 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).
1.2. Naar aanleiding van een signaaloverzicht van het Inlichtingenbureau is een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is van Vacatureweb B.V. (hierna: Vacatureweb) looninformatie opgevraagd. Op de looninformatie over 2006 is vermeld dat appellant over mei 2006 netto € 504,32 aan inkomsten heeft ontvangen.
1.3. Op basis van deze informatie heeft het College bij besluit van 18 maart 2008 de bijstand van appellant over de periode van 1 tot en met 31 mei 2006 (hierna: periode in geding) herzien op de grond dat hij bij het College geen mededeling heeft gedaan van inkomsten die hij uit arbeid heeft ontvangen. Bij dat besluit heeft het College tevens de over deze periode gemaakte kosten van bijstand van appellant teruggevorderd tot een bedrag van bruto € 792,59.
1.4. Bij besluit van 17 juli 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 18 maart 2008 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen inzake proceskosten en griffierecht - het beroep tegen het besluit van 17 juli 2008 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft daarbij aangevoerd dat door middel van beslaglegging € 1.774,97 van hem is teruggevorderd en dat hij dat bedrag terug wil hebben. Voorts heeft appellant verzocht om schadevergoeding.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Het besluit van 18 maart 2008 tot herziening van de bijstand over de in geding zijnde periode is een belastend besluit. Dit brengt mee dat het College aannemelijk moet maken dat is voldaan aan de voorwaarden voor herziening van de bijstand.
4.2. Naar het oordeel van de Raad bieden de gedingstukken een toereikende grondslag voor het standpunt van het College dat appellant gedurende de periode in geding via Vacatureweb bij [naam werkgever] te [vestigingsplaats] heeft gewerkt en daaruit inkomsten heeft genoten. De Raad acht daartoe de looninformatie over 2006 en 2007 van Vacatureweb van belang. In deze looninformatie wordt per week aangegeven hoeveel dagen appellant in de in geding zijnde periode werkzaam is geweest via Vacatureweb en welke betalingen zijn verricht. Voorts heeft het College ter zitting bij de rechtbank medegedeeld dat appellant bij [naam werkgever] te [vestigingsplaats] heeft gewerkt. Appellant heeft daar niets anders tegenover gesteld dan dat sprake moet zijn van een misverstand. Nu hij dit verder op geen enkele wijze met objectieve gegevens heeft onderbouwd, moet het standpunt van het College voor juist worden gehouden.
4.3. Door van deze werkzaamheden en inkomsten geen melding te maken heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden en heeft appellant te veel bijstand ontvangen. Hieruit volgt dat het College bevoegd was de verleende bijstand van appellant over de in geding zijnde periode met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB, te herzien. Tegen de wijze van gebruikmaking van deze bevoegdheid zijn geen gronden aangevoerd.
4.4. Het voorgaande brengt mee dat tevens aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was om de gemaakte kosten van bijstand over de periode in geding tot een bedrag van € 792,59 van appellant terug te vorderen. De wijze van uitoefening van die bevoegdheid is door appellant op zichzelf niet bestreden. Dat van appellant ter zake een bedrag van € 1.774,97 zou zijn teruggevorderd is de Raad overigens niet gebleken.
4.5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.
5. Gelet op het voorgaande dient het verzoek om schadevergoeding te worden afgewezen.
6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2011.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) I. Mos.
HD