ECLI:NL:CRVB:2011:BR0135

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-3113 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K. Zeilemaker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair onderwijs (BBWO)Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling vergoeding kosten rechtsbijstand bij loonsuppletie onder BBWO

Appellant heeft bij besluit van 3 december 2008 een loonsuppletie toegekend gekregen onder het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair onderwijs (BBWO). Tegen dit besluit werd bezwaar gemaakt, waarbij de minister deels tegemoet kwam in de hoogte van de loonsuppletie, maar het verzoek om vergoeding van kosten rechtsbijstand werd afgewezen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de einddatum van de loonsuppletie juist was vastgesteld. Tevens werd geoordeeld dat de kosten van rechtsbijstand niet vergoed konden worden, omdat appellant zelf het bezwaarschrift had opgesteld, er geen hoorzitting had plaatsgevonden en de werkzaamheden van de gemachtigde niet onder het Besluit proceskosten bestuursrecht vielen.

In hoger beroep richtte appellant zich uitsluitend op de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase. De Raad stelde vast dat het tweede bezwaarschrift, ingediend door de gemachtigde, geen nieuwe gronden bevatte en slechts een herhaling was van het eerste bezwaarschrift. Ook vond geen hoorzitting plaats, aangezien telefonisch werd aangegeven dat daaraan geen behoefte was.

De Raad concludeerde dat het aanvullende bezwaarschrift niet kwalificeert als een proceshandelingenbezwaarschrift in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Daarom faalt het hoger beroep en wordt de aangevallen uitspraak bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Hoger beroep faalt; geen vergoeding van kosten rechtsbijstand in bezwaarfase onder BBWO.

Uitspraak

10/3113 AW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant],wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 april 2010, 09/2513 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: minister)
Datum uitspraak: 30 juni 2011
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op 9 juni 2011. Partijen zijn niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een uitgebreidere weergave van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.1. Bij besluit van 3 december 2008 heeft de minister aan appellant een loonsuppletie toegekend als bedoeld in het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair onderwijs (BBWO) tot 1 augustus 2010. Het hiertegen gerichte bezwaar is bij besluit van 25 juni 2009 deels - voor wat betreft de hoogte - gegrond en voor het overige - voor wat betreft de einddatum - ongegrond verklaard. Het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in bezwaar heeft de minister afgewezen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant tegen het besluit van 25 juni 2009 ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank achtte de einddatum juist vastgesteld. Wat betreft de kosten van rechtsbijstand overwoog de rechtbank dat appellant zelf zijn bezwaarschrift heeft opgesteld, dat er geen hoorzitting is geweest en dat de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht niet voor vergoeding in aanmerking komen.
3. Het hoger beroep ziet uitsluitend op de vergoeding van kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase.
4. Naar aanleiding van hetgeen partijen hierover naar voren hebben gebracht overweegt de Raad als volgt.
4.1. Vast staat dat appellant op 29 december 2008 zelf een bezwaarschrift heeft ingediend, dat was voorzien van gronden. Op 13 januari 2009 is vervolgens nogmaals een bezwaarschrift ingediend, ditmaal door de gemachtigde. Dat bezwaarschrift bevat niet meer of andere gronden dan het bezwaarschrift van appellant. De Raad deelt de opvatting van de minister en de rechtbank dat daarmee slechts sprake is van een herhaling van het bezwaarschrift van appellant. Voorts staat vast dat geen hoorzitting is gehouden, omdat door de gemachtigde telefonisch is meegedeeld dat daaraan geen behoefte bestond. Het telefoongesprek tussen de gemachtigde en een vertegenwoordiger van de minister op 12 februari 2009 kan niet als hoorzitting gelden. De Raad acht bovendien aannemelijk dat dit gesprek slechts ging over een vraag van de minister over een eerder ingezonden brief door de gemachtigde. Het door de gemachtigde ingezonden aanvullend bezwaar behelst niet meer dan een verwijzing naar de eerder ingediende gronden en heeft een handgeschreven feitenoverzicht als bijlage. Daarmee is, ook naar het oordeel van de Raad, geen sprake van een onder de proceshandeling bezwaarschrift, in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht, vallende handeling.
4.2. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover aangevochten.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2011.
(get.) K. Zeilemaker.
(get.) M.C. Nijholt.
HD