ECLI:NL:CRVB:2011:BR0186

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-887 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van het besluit tot beëindiging recht op ziekengeld wegens geschiktheid voor werk

Appellante was tot 31 juli 2008 werkzaam als schoonmaakster en ontving daarna een WW-uitkering. Op 26 september 2008 meldde zij zich ziek met rug- en mictieklachten en kreeg zij een Ziektewetuitkering. De verzekeringsarts verklaarde haar op 24 februari 2009 per 2 maart 2009 hersteld voor haar arbeid, waarna het recht op ziekengeld werd beëindigd.

Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel en achtte het medisch onderzoek zorgvuldig en de uitkomst juist. In hoger beroep bracht appellante nieuwe medische informatie in, maar de Raad oordeelde dat deze geen ander licht op de zaak wierp.

De Raad stelde vast dat de verzekeringsartsen een juist beeld hadden van de aard en zwaarte van het werk. De medische stukken, waaronder rapportages van verschillende specialisten, boden voldoende grondslag om te concluderen dat appellante geschikt is voor haar werk. De Raad bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het recht op ziekengeld per 2 maart 2009 beëindigd.

Uitspraak

10/887 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 30 december 2009, 09/3643 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 29 juni 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P.J.L.J. Duijssens, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2011. Namens appellante is verschenen mr. R.C. Luttikhuizen, kantoorgenoot van mr. Duijssens. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante was laatstelijk van 1 februari 2007 tot en met 31 juli 2008 werkzaam als schoonmaakster. Nadien is haar een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet verstrekt. Vanuit deze uitkeringssituatie heeft appellante zich op 26 september 2008 ziek gemeld met rug- en mictieklachten en is haar een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) verstrekt. Ter zake van deze ziekmelding heeft appellante op 17 december 2008 het spreekuur van de verzekeringsarts J.B. Tuinhof de Moed bezocht. De verzekeringsarts heeft vervolgens informatie opgevraagd bij de huisarts en de uroloog. Tijdens het spreekuur van 24 februari 2009 heeft de verzekeringsarts appellante per 2 maart 2009 hersteld verklaard voor haar arbeid als schoonmaakster. Bij besluit van 24 februari 2009 is aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 2 maart 2009 geen recht meer heeft op uitkering van ziekengeld.
1.2. Het tegen het besluit van 24 februari 2009 gerichte bezwaar van appellante is, in navolging van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts F.M. Brouwer neergelegd in diens rapportage van 14 april 2009, bij besluit van 15 april 2009 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat uit de onderzoeken van de verzekeringsartsen voldoende gegevens naar voren zijn gekomen om tot een afgewogen oordeel omtrent appellantes beperkingen te kunnen komen. De rechtbank ziet geen aanleiding het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten en de uitkomst daarvan onjuist.
3. In hoger beroep handhaaft appellante hetgeen zij in beroep naar voren heeft gebracht. Appellante stelt verder dat zij thans kan aantonen wat de oorzaak van de destijds geconstateerde problematiek is waardoor zij op 2 maart 2009 niet in staat was de eigen arbeid te verrichten. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante in hoger beroep informatie ingebracht van neuroloog dr. K. Jellema en de huisarts A.M. van Meurs van respectievelijk 16 februari 2010 en 19 februari 2010.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient onder ”zijn arbeid” in de zin van artikel 19 van Pro de ZW te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid, in casu de laatstelijk verrichte arbeid als schoonmaakster.
4.3. De Raad stelt allereerst vast dat de betrokken verzekeringsartsen bij de beoordeling beschikten over een rapportage van de arbeidsdeskundige E.J. Gill van 24 februari 2009. Daaruit blijkt dat met betrekking tot de aard van de werkzaamheden en de werkbelasting tevergeefs getracht is informatie te verkrijgen van de voormalige werkgever van appellante en dat vergelijkbare functies uit het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem zijn geraadpleegd voor een beschrijving van soortgelijk werk. Daarmee acht de Raad de belasting van de laatstelijk verrichte arbeid als schoonmaakster voldoende inzichtelijk en hij ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de verzekeringsartsen geen juist beeld hebben gehad van aard en zwaarte van het werk van appellante.
4.4. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt een herhaling van de gronden die zij reeds in eerste aanleg heeft aangevoerd. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Naar het oordeel van de Raad bieden de onderzoeken van de verzekeringsartsen en de medische stukken - waaronder informatie van de behandelende neuroloog-oncoloog dr. Ch.J. Vecht van 18 augustus 2008, de uroloog dr. P.L.Venema van 17 december 2008 en 7 januari 2009 en de huisarts B.C. van Erp-Rattunde van 27 december 2008 - voldoende grondslag voor het standpunt dat appellante geschikt te achten is voor haar werk. Ook de in hoger beroep overgelegde medische informatie werpt naar het oordeel van de Raad geen ander licht op de zaak. Met betrekking tot de informatie van de neuroloog dr. K. Jellema van 16 februari 2010 onderschrijft de Raad de reactie van de bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal, zoals neergelegd in diens rapportage van 11 maart 2010. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat het Uwv op goede gronden heeft besloten appellante met ingang van 2 maart 2009 niet langer in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de ZW.
5. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen, volgt dan ook dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2011.
(get.) M. Greebe.
(get.) M.A. van Amerongen.
KR