ECLI:NL:CRVB:2011:BR0642

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 juli 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-5876 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging geen recht op ziekengeld na medisch onderzoek

Appellant, werkzaam als productiemedewerker, meldde zich ziek met klachten van hoofdpijn en nekpijn na een auto-ongeval. Het UWV besloot op 16 september 2008 dat appellant vanaf 17 september 2008 geen recht meer had op ziekengeld. Dit besluit werd gehandhaafd na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en appellant geschikt werd geacht voor lichte werkzaamheden.

In hoger beroep voerde appellant aan dat ernstige medische problemen hem arbeidsongeschikt maakten, ondersteund door gegevens van behandelaars. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen volledig was en dat de toegevoegde medische brieven geen nieuwe gegevens bevatten. De rapportage van Reaned uit 2009 kon niet worden gebruikt ter onderbouwing van de toestand op 17 september 2008.

De Raad concludeerde dat appellant onvoldoende medische onderbouwing leverde om zijn ongeschiktheid aan te tonen en bevestigde de eerdere uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het recht op ziekengeld wordt bevestigd.

Uitspraak

09/5876 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 23 september 2009, 08/1964 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
Datum uitspraak: 6 juli 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R.C. Breuls, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2011. Appellant en mr. Breuls zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J.L.H. Coenen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is werkzaam geweest als productiemedewerker bij [ naam werkgever]. Hij heeft zich vanuit een werkloosheidssituatie op 30 maart 2007 ziek gemeld met klachten van hoofdpijn en nekpijn die het gevolg zijn van een hem overkomen auto-ongeval. Bij besluit van 16 september 2008 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij met ingang van 17 september 2008 geen recht meer heeft op ziekengeld.
1.2. Beslissend op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 september 2008 heeft het Uwv bij besluit van 23 oktober 2008 zijn standpunt gehandhaafd dat appellant vanaf 17 september 2008 niet langer recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 23 oktober 2008 ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft een zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden en heeft het Uwv terecht geconcludeerd dat appellant weer geschikt is voor zijn werkzaamheden als assemblagemedewerker zoals die voorkomen bij een soortgelijke werkgever.
3.1. Appellant heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat hij ernstige medische problemen heeft en dat de gegevens van zijn behandelaars zijn stelling onderbouwen dat hij nog steeds arbeidsongeschikt is.
3.2. Het Uwv heeft zich achter het oordeel van de rechtbank gesteld.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt ten aanzien van een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan de ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn.
4.2. Een arbeidsdeskundige van het Uwv heeft de voormalige werkgever van appellant bezocht en in een rapportage van 2 september 2008 een beschrijving gegeven van de werkzaamheden van een productiemedewerker op de afdeling carrosseriebouw van [ naam werkgever], zoals die ten tijde van zijn onderzoek werden uitgevoerd.
4.3. De verzekeringsarts heeft in zijn rapportage van 16 september 2008 uiteengezet dat appellant met zijn resterende hoofdpijnklachten in staat geacht moet worden om de relatief lichte werkzaamheden uit te voeren die zijn beschreven in de rapportage van de arbeidsdeskundige. Bij zijn oordeelsvorming heeft de verzekeringsarts betrokken dat door de behandelend neuroloog H.H.E Morré geen duidelijke afwijkingen zijn gevonden, dat de hoofdpijnklachten merkwaardig reageren op de behandeling die de neuroloog heeft ingezet en dat appellant in november 2007 niet is ingegaan op een voorstel van het Uwv om een trainingsprogramma voor whiplashpatiënten bij Winnock te doorlopen omdat hij ervan overtuigd was op eigen kracht over een half jaar weer fit te kunnen zijn. De bezwaarverzekeringsarts heeft bij eigen onderzoek van appellant geen afwijkingen kunnen vaststellen. In de informatie die is verkregen van de behandelende sector is volgens de bezwaarverzekeringsarts geen onderbouwing te vinden van het door appellant gestelde onvermogen om arbeid te verrichten. Hij is tot de conclusie gekomen dat objectieve medische gegevens ontbreken op grond waarvan appellant niet geschikt kan worden geacht voor het verrichten van zijn arbeid.
4.4. Net als rechtbank ziet de Raad geen aanleiding voor het oordeel dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen onzorgvuldig is geweest, dan wel dat de uitkomst daarvan onjuist zou zijn. Uit hun rapportages volgt dat zij een volledig beeld hadden van de problematiek van appellant en bij hun oordeelsvorming de informatie van neuroloog Morré hebben betrokken. De in beroep aan deze informatie toegevoegde brieven van de huisarts van 24 april 2007, van Morré van 13 november 2007 en van de arts voor orthomanuele geneeskunde W.J.H. Esser bevatten geen nieuwe medische gegevens. De in opdracht van de gemeente Sittard-Geleen in 2009 door Reaned opgestelde rapportage kan niet dienen ter onderbouwing van de stelling van appellant dat hij op 17 september 2008 arbeidsongeschikt was omdat die rapportage, zoals is bevestigd met een door appellant in beroep ingebracht e-mailbericht van de onderzoekende arts van Reaned, niet ziet op de medische toestand van appellant op 17 september 2008. Appellant heeft zijn opvatting dat hij in verband met ernstige medische problemen niet in staat was om te werken in hoger beroep niet met nadere gegevens van zijn behandelaars geschraagd.
4.5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2011.
(get.) M. Greebe.
(get.) M.A. van Amerongen.
NK