ECLI:NL:CRVB:2011:BR0789
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op ziekengeld wegens onvoldoende medische onderbouwing arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als administratief logistiek medewerker, meldde zich op 14 augustus 2008 ziek met diverse lichamelijke klachten. Na een training en medisch onderzoek concludeerde de verzekeringsarts op 16 december 2008 dat de klachten niet zodanig waren dat appellant niet kon werken. Het UWV besloot daarom per 22 december 2008 het recht op ziekengeld te beëindigen. Appellant maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard door het UWV.
De rechtbank bevestigde dit besluit en oordeelde dat de medische informatie onvoldoende aanleiding gaf om de beoordeling van de verzekeringsartsen te betwijfelen. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de artsen onvoldoende rekening hielden met zijn medische beperkingen, waaronder een oude jukbeenbreuk en klachten die niet louter subjectief waren.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts Blanker terecht concluderen dat de klachten niet objectief zijn geconstateerd en dat de medische informatie geen aanleiding geeft om de eerdere conclusie te herzien. De Raad bevestigt daarmee het oordeel van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er worden geen proceskosten opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV om het recht op ziekengeld te beëindigen wordt bevestigd.