ECLI:NL:CRVB:2011:BR1664

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 juli 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-5080 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.A.A.G. Vermeulen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:29 AwbArt. 21 Beroepswet
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling inzage plaatsings- en bevorderingsbesluiten ambtenaren

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar tegen plaatsings- en bevorderingsbesluiten van voormalige collega’s L en B. Het college stelde dat appellant geen belanghebbende was bij deze besluiten en daarom geen inzage mocht krijgen. De rechtbank had het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van belanghebbendheid.

De Centrale Raad van Beroep overweegt dat het niet-zijn van belanghebbende geen gewichtige reden vormt om de kennisneming van de stukken te beperken op grond van artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad merkt op dat de vraag of appellant belanghebbende is bij de besluiten nog niet definitief is beslist en dat dit ook geen grond is voor beperking van inzage.

Daarnaast is de inhoud van de besluiten jegens L en B uitvoerig beschreven in de stukken die het college heeft overgelegd. Gezien deze omstandigheden is de Raad van oordeel dat er geen reden is om toepassing te geven aan artikel 8:29 Awb Pro. De kennisneming van de stukken wordt dus niet beperkt en de stukken worden teruggezonden aan het college.

Uitkomst: Beperking van de kennisneming van de plaatsings- en bevorderingsbesluiten van L en B is niet gerechtvaardigd.

Uitspraak

10/5080 AW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
B E S L I S S I N G
inzake de toepassing van artikel 21 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen
[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rijswijk (hierna: college)
I. INLEIDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 10/5080 AW
Bij het verweerschrift heeft het college de plaatsings- en bevorderingsbesluiten van de inmiddels voormalige collega’s van appellant, L en B, overgelegd. Onder verwijzing naar artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het college opgemerkt dat alleen de Raad inzage krijgt van deze geschriften.
II. OVERWEGINGEN
1. Ingevolge artikel 8:29, eerste lid, van de Awb in samenhang met artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet kunnen partijen die verplicht zijn stukken over te leggen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, de Raad meedelen dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van de stukken.
Op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Awb in samenhang met artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet beslist de Raad of de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.
2. Het door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak instandgelaten bestreden besluit behelst de niet-ontvankelijkverklaring van appellants bezwaar tegen de beslissingen van het college om L en B definitief te plaatsen in twee functies van hoofd van een sectie. De reden voor de niet-ontvankelijkverklaring is dat appellant geen belanghebbende is bij deze besluiten.
3. Ter onderbouwing van zijn verzoek heeft het college gewezen op de omstandigheid dat appellant geen belanghebbende is bij de beslissingen jegens L en B en dat hij dus geen belang heeft bij het inzien van deze beslissingen.
4. De Raad is van oordeel dat het geen belanghebbende zijn bij de desbetreffende besluiten niet een gewichtige reden is als bedoeld in artikel 8:29, eerste lid, van de Awb. De Raad merkt hierbij nog op, dat de rechtsstrijd tussen partijen gaat over de vraag of appellant belanghebbende bij die besluiten is en dat daarover nog niet definitief is beslist. Aan de vraag of appellant belang heeft bij de inzage van deze besluiten komt in het licht van de in artikel 8:29, eerste lid, van de Awb bedoelde gewichtige redenen evenmin betekenis toe.
5. Mede in aanmerking genomen voorts dat de inhoud van de desbetreffende besluiten jegens L en B door het college in de stukken uitvoerig is beschreven, is de Raad van oordeel dat er geen grond is om toepassing te geven aan artikel 8:29 van Pro de Awb. Voor een beperking van de kennisneming is dus geen grond.
De stukken zullen naar het college worden teruggezonden.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bepaalt dat beperking van de kennisneming van de plaatsings- en bevorderingsbesluiten van L en B niet gerechtvaardigd is.
Deze beslissing is genomen op 7 juli 2011 door H.A.A.G. Vermeulen, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) B. Bekkers.
HD