ECLI:NL:CRVB:2011:BR1665

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 juli 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-3377 WWB-VV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • N.J. van Vulpen-Grootjans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 21 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in hoger beroep bij terugvordering bijstandskosten

Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hengelo stelde betrokkene hoofdelijk aansprakelijk voor terugbetaling van bijstandskosten over de periode 2003-2008, omdat betrokkene een gezamenlijke huishouding voerde met de bijstandsgerechtigde zonder dit te melden.

Nadat bezwaar en beroep waren ingesteld, verklaarde de rechtbank het beroep tegen een bezwaarbesluit niet-ontvankelijk en vernietigde het beroep tegen een ander bezwaarbesluit, omdat onvoldoende feitelijke grondslag bestond voor de gezamenlijke huishouding.

Het College verzocht vervolgens om schorsing van deze uitspraak in afwachting van hoger beroep, stellende dat zonder beslag onvoldoende zekerheid bestaat dat betrokkene aan terugbetalingsverplichtingen kan voldoen.

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep overwoog dat een mogelijk toekomstig financieel risico onvoldoende spoedeisend belang oplevert voor een voorlopige voorziening en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn om hiervan af te wijken. Daarom werd het verzoek afgewezen zonder zitting.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

11/3377 WWB-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hengelo (hierna: verzoeker),
in verband met het hoger beroep van:
verzoeker
tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 27 april 2011, 09/315 en 10/237 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),
en
verzoeker
Datum uitspraak: 13 juli 2011
I. PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de voorzieningenrechter naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
1.1. Bij besluit van 24 september 2008 heeft verzoeker betrokkene hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de terugbetaling van de over de periode van 1 januari 2003 tot en met 17 juli 2008 ten behoeve van [naam P.] (hierna: [naam P.]) gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 70.693,79. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat verzoeker de persoon is met wie [naam P.] gedurende deze periode een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd, zonder dat [naam P.] hiervan het College melding heeft gemaakt. Tevens is verzoeker meegedeeld dat door het College conservatoir beslag is gelegd op het tegoed van zijn bankrekeningen.
1.2. Bij besluit van 10 februari 2009 heeft verzoeker het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 24 september 2008 ongegrond verklaard. Het College heeft bij nader besluit van 9 februari 2010, onder aanvulling van de motivering en intrekking van het besluit van 10 februari 2009, het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 24 september 2008 wederom ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 10 februari 2009 niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft hierbij overwogen dat het procesbelang is komen te vervallen omdat het College dit besluit bij besluit van 9 februari 2010 heeft ingetrokken. Voorts heeft de rechtbank - met bepalingen over griffierecht en proceskosten - het beroep tegen het besluit van 10 februari 2010 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het besluit van 24 september 2008 herroepen. De rechtbank heeft hierbij - samengevat - overwogen dat er onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van verzoeker dat betrokkene en [naam P.] gedurende de periode in geding hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en zij in die periode een gezamenlijke huishouding voerden.
3. Verzoeker heeft verzocht om schorsing van de aangevallen uitspraak totdat op het hoger beroep is beslist. Verzoeker stelt zich op het standpunt - zoals de Raad het begrijpt - dat indien het beslag vervalt er geen dan wel onvoldoende zekerheid bestaat dat, bij het slagen van het door verzoeker ingestelde hoger beroep, betrokkene nog over middelen zal beschikken waarmee hij aan zijn terugbetalingsverplichting kan voldoen.
4. Naar aanleiding van dit verzoek overweegt de voorzieningenrechter het volgende.
4.1. Ingevolge artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van Pro de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4.2. De voorzieningenrechter van de Raad heeft meermalen overwogen - zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 mei 2007, LJN BA5261 - dat een mogelijk financieel risico in de toekomst onvoldoende grond oplevert om te oordelen dat er aan de kant van verzoeker sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorziening. Dit risico komt in het algemeen voor rekening van het bijstandverlenend orgaan. De Raad is niet gebleken van bijzondere omstandigheden om hiervan in het geval van verzoeker af te wijken. Dat betrokkene mogelijk in de toekomst niet aan zijn terugbetalingsverplichting zal kunnen voldoen, levert dan ook geen grond om voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening.
4.3. Ook anderszins is de voorzieningenrechter niet gebleken van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat de behandeling van de bodemprocedure niet zou kunnen worden afgewacht.
4.4. Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is, zodat de voorzieningenrechter, gelet op artikel 8:83, derde lid, van de Awb, uitspraak kan doen zonder zitting.
5. Voor bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht is geen aanleiding.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Awb af.
Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van P.E. Broekman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2011.
(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.
(get.) P.E. Broekman.
RB