ECLI:NL:CRVB:2011:BR1908

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 juli 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-3938 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.W.J. Schoor
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de niet-ontvankelijkverklaring van bezwaar tegen een verzoek om informatie door het Uwv

In deze zaak gaat het om het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, waarin het bezwaar van appellant tegen een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) niet-ontvankelijk werd verklaard. Appellant had op 28 mei 2007 een aanvraag ingediend voor een uitkering op basis van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Het Uwv verzocht appellant op 2 september 2009 om informatie, maar appellant reageerde hier niet tijdig op. Het Uwv verklaarde het bezwaar van appellant tegen deze informatieverzoek niet-ontvankelijk, omdat het verzoek geen besluit was in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank bevestigde deze beslissing van het Uwv.

In hoger beroep heeft appellant zijn bezwaren tegen de uitspraak van de rechtbank uiteengezet. De Centrale Raad van Beroep heeft overwogen dat de brief van 2 september 2009, waarin het Uwv om informatie vroeg, wel degelijk als een besluit kan worden aangemerkt. Dit besluit heeft immers gevolgen voor de procedure en de verplichtingen van appellant. De Raad concludeert dat het Uwv het bezwaar van appellant terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, maar op andere gronden dan het Uwv aanvankelijk had gesteld.

De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank, met verbetering van gronden, en oordeelt dat het hoger beroep van appellant geen doel treft. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak is openbaar gedaan op 15 juli 2011.

Uitspraak

10/3938 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], Marokko (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 juni 2010, 09/4965 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 15 juli 2011
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 7 april 2011 heeft het Uwv nadere stukken in het geding gebracht.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2011. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Knigge.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Op 28 mei 2007 heeft appellant een aanvraag ingediend om een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Bij brief van 2 september 2009 heeft het Uwv aan appellant verzocht voor 2 oktober 2009 een schriftelijke reactie te geven op de bevinding dat hij niet voorkomt in de verzekerdenadministratie en dat de door hem verstrekte gegevens geen betrekking op hem hebben, maar op een persoon met een andere identiteit. In afwachting daarvan is de behandeling van de aanvraag opgeschort. Tevens is aan appellant meegedeeld dat als hij niet binnen de gestelde termijn aan het verzoek voldoet kan worden besloten de aanvraag niet verder in behandeling te nemen.
1.2. Appellant heeft tegen de brief van 2 september 2009 bezwaar gemaakt.
1.3. Bij besluit van 7 oktober 2009 heeft het Uwv dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de brief van 2 september 2009 geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat er slechts sprake is van een verzoek om informatie waarop appellant is gevraagd te reageren, zodat daartegen geen bezwaar openstaat. Daarbij heeft het Uwv nog opgemerkt dat de bezwaarclausule ten onrechte onder de brief is gezet.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 7 oktober 2009 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Zij heeft geoordeeld dat het Uwv het bezwaar van appellant terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen sprake is van een appellabel besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Daarbij heeft zij overwogen dat de brief van 2 september 2009 slechts het verzoek bevat om het verstrekken van inlichtingen en de brief dan ook niet is gericht op enig rechtsgevolg.
3. In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De Raad heeft al eerder geoordeeld dat de beslissing, waarbij het bestuursorgaan de aanvrager uitnodigt voor een gesprek onderscheidenlijk in de gelegenheid stelt een aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen, een besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb (zie de uitspraken van 8 februari 2011, LJN BP6186 en 5 april 2011, LJN BQ0530). Zij leidt immers tot een (nieuwe) verplichting voor de aanvrager, die berust op het standpunt van het bestuursorgaan dat de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn om tot een - zorgvuldig voorbereid en deugdelijk onderbouwd - besluit te komen. Anders dan het Uwv heeft aangenomen dient de brief van 2 september 2009 dan ook te worden aangemerkt als een besluit.
4.2. De Raad is voorts van oordeel dat de brief van 2 september 2009 een besluit (als bedoeld in artikel 6:3 van de Awb) is inzake de procedure ter voorbereiding van het besluit van het Uwv op de aanvraag van appellant en dat appellant daardoor los van het te nemen besluit op de aanvraag niet rechtstreeks in zijn belang wordt getroffen. Het in de brief van 2 september 2009 vervatte besluit kan immers in het kader van bezwaar en beroep tegen een besluit tot buitenbehandelingstelling van de aanvraag of tegen een inhoudelijk besluit op de aanvraag - ten volle - worden aangevochten. Dat een besluit als bedoeld in artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb ingevolge artikel 4:15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb tot gevolg heeft dat de beslistermijn wordt opgeschort, leidt evenmin tot het oordeel dat appellant door het in de brief van
2 september 2009 vervatte besluit, los van het te nemen besluit op de aanvraag in zijn belang wordt getroffen. In het kader van bezwaar en beroep tegen een besluit tot buitenbehandelingstelling van de aanvraag of tegen een inhoudelijk besluit op de aanvraag kan immers ook (vertragings)schade worden gevorderd.
4.3. Hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen brengt mee dat de brief van 2 september 2009 niet voor bezwaar vatbaar is en dat het Uwv het bezwaar van appellant terecht, zij het op andere gronden, niet-ontvankelijk heeft verklaard.
4.4. De Raad merkt overigens nog op dat het Uwv bij besluit van 1 februari 2010 ongegrond heeft verklaard het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 oktober 2009 inhoudende dat de in 1.1 vermelde aanvraag niet in behandeling is genomen omdat appellant niet de op 2 september 2009 gevraagde gegevens heeft verstrekt. Het tegen het besluit van 1 februari 2010 door appellant ingestelde beroep heeft de rechtbank bij uitspraak van 21 september 2010, 10/775, niet-ontvankelijk verklaard omdat hij
- zonder daarvoor desgevraagd een reden te geven - het griffierecht niet had voldaan.
4.5. Gelet op het voorgaande treft het hoger beroep geen doel. De aangevallen uitspraak moet daarom, met verbetering van gronden, worden bevestigd.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2011.
(get.) C.W.J. Schoor.
(get.) R.L. Venneman.
RK