ECLI:NL:CRVB:2011:BR3308
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in hoger beroep Ziektewet-uitkering
Verzoekster had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om haar Ziektewet-uitkering per 7 juni 2010 te beëindigen, omdat zij op die datum geschikt werd geacht om te werken. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep verzocht verzoekster om een voorlopige voorziening om de uitkering onmiddellijk te hervatten totdat het hoger beroep is beslist.
De voorzieningenrechter overwoog dat een voorlopige voorziening alleen kan worden toegekend bij onverwijlde spoed. Verzoekster stelde dat zij vanwege een posttraumatische stressstoornis niet in staat was om te solliciteren en dat het verplicht solliciteren haar gezondheid zou schaden. De voorzieningenrechter vond echter dat verzoekster geen concrete, op haar gezondheid toegesneden omstandigheden of onderbouwing had gegeven die een spoedeisend belang aannemelijk maakten.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep op 27 juli 2011.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.