AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging terugvordering onverschuldigd betaalde ziekengelduitkering zonder dringende medische redenen
Appellante ontving onverschuldigd ziekengelduitkering van het UWV over verschillende perioden. Het UWV vorderde deze bedragen terug bij besluit, wat door appellante werd bestreden. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV op grond van artikel 33 ZWPro verplicht is tot terugvordering, tenzij dringende redenen aanwezig zijn.
De rechtbank hechtte doorslaggevende waarde aan de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts Jansen, die concludeerde dat er geen dringende medische redenen waren om van terugvordering af te zien. De psychische klachten van appellante bestonden reeds vóór de terugvordering en werden niet veroorzaakt door de terugvordering zelf. Ook de Raad onderschrijft dit oordeel en ziet geen aanleiding voor nader medisch onderzoek.
Appellante bracht in hoger beroep geen nieuwe medische stukken in die haar stelling ondersteunen. De Raad bevestigt daarom het oordeel van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van de onverschuldigd betaalde ziekengelduitkering wegens het ontbreken van dringende medische redenen om van terugvordering af te zien.
Uitspraak
10/4524 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats], België (hierna: appellante)
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 juli 2010, 09/4539 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 27 juli 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft K.J. Korteweg, destijds advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingezonden met daarbij gevoegd een rapportage van bezwaarverzekeringsarts T.J.W. Jansen van 15 september 2010.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. E.R. Hagenaars. Het Uwv heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door F.P.L. Smeets.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Het Uwv heeft aan appellante met ingang van 12 september 2005 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend.
1.2. In de periode van 28 maart 2006 tot en met 17 juli 2006 heeft appellante een uitkering ingevolge de Wet arbeid en zorg (WAZO) ontvangen. Bij besluit van 25 november 2008 heeft het Uwv aan appellante per 18 juli 2006 een uitkering ingevolge de ZW toegekend. In de periode van 15 juni 2007 tot en met 4 oktober 2007 heeft appellante wederom een uitkering op grond van de WAZO ontvangen.
1.3. Met twee besluiten van 27 augustus 2008 heeft het Uwv de aan appellante over de periode van 18 juni 2007 tot en met 24 juni 2007 onverschuldigd betaalde ziekengelduitkering ten bedrage van € 346,15 respectievelijk de over de periode van
7 april 2008 tot en met 17 augustus 2008 onverschuldigd betaalde ziekengelduitkering ten bedrage van € 4.635,92 van haar teruggevorderd. Voorts heeft het Uwv bij besluit van 8 oktober 2008 de onverschuldigd betaalde ziekengelduitkering ten bedrage van € 16.789,78 over de periode van 18 juli 2006 tot en met 24 juni 2007 van haar teruggevorderd. Tegen de drie besluiten is namens appellante bezwaar gemaakt.
Bij drie afzonderlijke besluiten van 26 augustus 2009 (hierna: de bestreden besluiten) heeft het Uwv het door appellante gemaakte bezwaar tegen de besluiten ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv op grond van artikel 33 vanPro de ZW gehouden is om hetgeen onverschuldigd betaald is terug te vorderen en slechts in geval van een dringende reden bevoegd is om van terugvordering af te zien. Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Raad is naar het oordeel van de rechtbank slechts sprake van een dringende reden bij onaanvaardbaarheid van de gevolgen die een terugvordering voor een verzekerde heeft. De rechtbank was van oordeel dat er geen sprake was van een dringende reden om van terugvordering af te zien en heeft daarbij doorslaggevende betekenis toegekend aan de rapportage van 20 juli 2009 van bezwaarverzekeringsarts Jansen voornoemd. Uit deze rapportage blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de bezwaarverzekeringsarts zijn conclusie heeft gebaseerd op eigen onderzoek, dossierstudie en informatie die hij van derden heeft ontvangen en dat deze, in tegenstelling tot hetgeen appellante betoogt, zorgvuldig tot stand is gekomen. De bezwaarverzekeringsarts beschikte derhalve over voldoende informatie om tot een oordeel te komen en heeft geen aanleiding hoeven zien een onafhankelijke deskundige te benoemen. Voorts blijkt uit de aanvullende rapportage van 3 mei 2010 die de bezwaarverzekeringsarts naar aanleiding van de verklaring van behandelend psychiater Chawaf heeft opgemaakt, dat huisarts Cornelissen in de brief van 19 februari 2009 hetzelfde heeft meegedeeld als de behandelend psychiater te weten dat appellante lijdt aan een depressief angstsyndroom. De rechtbank overweegt verder dat uit de verklaring van Chawaf niet valt af te leiden dat de psychische klachten van appellante worden veroorzaakt door de terugvordering of dat de terugvordering anderszins onaanvaardbare gevolgen heeft op grond waarvan het Uwv geheel of gedeeltelijk van terugvordering zou dienen af te zien.
3. In hoger beroep zijn de eerder aangevoerde gronden herhaald.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Niet in geschil is dat het Uwv aan appellante onverschuldigd ziekengeld heeft betaald. Evenmin is in geschil de hoogte van de teruggevorderde bedragen.
4.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 33, eerste lid, van de ZW is het Uwv verplicht tot terugvordering over te gaan indien sprake is van onverschuldigde betaling van uitkering. Ingevolge het vierde lid van dit artikel kan het Uwv geheel of gedeeltelijk van terugvordering afzien in het geval dringende redenen aanwezig zijn. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad kan een dringende reden alleen aan de orde zijn wanneer de terugvordering onaanvaardbare sociale of financiële consequenties heeft. Daarbij dient het te gaan om incidentele gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt.
4.3. De Raad ziet in hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd geen reden anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De Raad overweegt in dit verband dat in de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts Jansen van 20 juli 2009, 3 mei 2010 en 15 september 2010 op afdoende wijze wordt onderbouwd waarom er geen sprake is van dringende medische redenen om van terugvordering af te zien. Volgens Jansen is appellante in 2006 ziek geworden door een overspannenheid ten gevolge van een conflictsituatie met haar familie. Voorts onderkent de bezwaarverzekeringsarts dat er sprake kan zijn van enig effect op de gezondheidtoestand door een toename van financiële zorgen en de nervositas van appellante, echter dit is geen “onaanvaardbaarheid”, gezien het feit dat de rol en het aandeel daarvan te gering is gezien de gehele en langdurig bestaande problematiek. De bezwaarverzekeringsarts heeft zich gebaseerd op eigen bevindingen en bij zijn oordeelsvorming tevens informatie betrokken van behandelaars waaronder een brief van G. Cornelissen, huisarts van 19 februari 2009 alsmede een brief van A. Chawaf, psychiater, van 3 april 2010. Een behandelend psychotherapeut van appellante bleek – ook na herhaalde verzoeken hiertoe – niet bereid informatie te verstrekken. Zowel Chawaf als Cornelissen verklaren dat de klachten van appellante bestaan uit vermoeidheid, ernstige nervositas, slaapproblemen, ernstige labiliteit, angsten en paniekaanvallen.
4.4. Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportages voldoende overtuigend en gemotiveerd aangegeven, dat de terugvordering van hetgeen teveel is betaald, voor appellante niet de oorzakelijke of onderhoudende factor is van haar ziekte – het ontstaan van de psychische klachten van appellante ging immers ruim vooraf aan de datum van de besluiten tot terugvordering – en niet tot onaanvaardbare psychische gevolgen leidt. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts over voldoende medische gegevens beschikte om tot een afgewogen oordeel te kunnen komen. Het feit dat de behandelend psychotherapeut niet bereid was informatie te verstrekken doet daar niet aan af. In het voorgaande ligt besloten dat ook de Raad geen aanleiding heeft gezien een deskundige te benoemen voor nader onderzoek van appellante. Ook in hoger beroep heeft appellante geen nadere medische stukken ingebracht ter ondersteuning van de stelling dat sprake is van omstandigheden op grond waarvan het Uwv van terugvordering moet afzien.
5. Hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J. Riphagen en N.J.E.G. Cremers als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2011.