ECLI:NL:CRVB:2011:BR3503
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als productiemedewerkster, meldde zich in 2002 ziek met psychische klachten en kreeg vanaf 2004 een WAO-uitkering toegekend van 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid. In 2009 verrichtte een verzekeringsarts een medisch onderzoek en stelde een Functionele Mogelijkheden Lijst op, waarna een arbeidsdeskundige passende functies selecteerde. De mate van arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op minder dan 15%, waarna de WAO-uitkering per 9 september 2009 werd ingetrokken.
Appellante maakte bezwaar tegen de intrekking en stelde dat haar beperkingen op sociaal en persoonlijk functioneren onvoldoende waren meegewogen, onderbouwd met psychologische rapporten. Ook voerde zij aan dat zij de geselecteerde functies vanwege diverse belastingen en opleidingsniveau niet kon vervullen. Het bezwaar werd ongegrond verklaard, waarna appellante in beroep ging.
De rechtbank bevestigde het besluit tot intrekking en wees het beroep af, stellende dat de medische en arbeidskundige beoordelingen volledig en juist waren, en dat de door appellante ingebrachte psychologische informatie geen aanleiding gaf tot een ander oordeel. Ook het beroep tegen de re-integratievisie werd ongegrond verklaard.
In hoger beroep herhaalde appellante haar gronden, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef de overwegingen van de rechtbank en zag geen reden tot het inschakelen van een deskundige. De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en oordeelde dat de intrekking van de WAO-uitkering terecht was.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd wegens onvoldoende medische en arbeidskundige grondslag voor arbeidsongeschiktheid.