ECLI:NL:CRVB:2011:BR3504
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante is sinds mei 2006 wegens diverse lichamelijke klachten gedeeltelijk arbeidsongeschikt. Het UWV heeft in januari 2009 besloten dat zij geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt. Dit besluit is na bezwaar door het UWV gehandhaafd. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard, waarbij zij oordeelde dat er geen aanwijzingen zijn voor geen duurzaam benutbare arbeidsmogelijkheden en dat de medische beperkingen correct zijn vastgesteld.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar psychische beperkingen, onderbouwd door een rapport van psycholoog Vluggen, wel degelijk relevant zijn en dat de functionele mogelijkhedenlijst onvoldoende rekening houdt met haar beperkingen, met name door fibromyalgie. Zij stelde ook dat de voorgestelde functies medisch niet haalbaar zijn.
De Raad overweegt dat appellante in hoger beroep vooral eerdere gronden herhaalt en sluit zich aan bij de rechtbank. Het rapport van psycholoog Vluggen wordt niet geacht betrekking te hebben op de datum in geding. Ook is gebleken dat psychische klachten pas na de datum in geding zijn gemeld. Er is geen objectief-medische grond om de beperkingen anders te waarderen dan het UWV heeft gedaan. De functies die als passend zijn ingeschat, zijn toereikend gemotiveerd.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV wordt bevestigd dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering.