ECLI:NL:CRVB:2011:BR3509

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 juli 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-5200 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende medische en arbeidskundige grondslag

Appellante ontving sinds 2004 een WAO-uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, veroorzaakt door klachten aan haar rechterarm en rechterschouder. In 2009 trok het UWV deze uitkering in omdat de arbeidsongeschiktheid was afgenomen tot minder dan 15%. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze intrekking ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de medische en arbeidskundige rapporten voldoende waren en appellante onvoldoende medische informatie had aangeleverd om meer beperkingen aan te tonen.

In hoger beroep herhaalde appellante haar klachten over chronische pijn en bijwerkingen van medicatie, en stelde zij dat zij niet in staat was om bepaalde functies uit te oefenen. De Raad stelde vast dat deze gronden reeds in eerdere procedures waren aangevoerd en dat de medische en arbeidskundige rapporten, waaronder een aanvullend rapport van een bezwaarverzekeringsarts, de beperkingen adequaat in kaart brachten.

De Raad oordeelde dat appellante haar eigen opvattingen over haar beperkingen niet met medische gegevens had onderbouwd. Ook de stelling dat zij alleen een auto met automatische versnelling kan besturen, leidde niet tot een andere beoordeling, omdat de aanschaf van een dergelijke auto redelijkerwijs van een werkgever kan worden verlangd.

Gezien deze overwegingen verklaarde de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep ongegrond en bevestigde de intrekking van de WAO-uitkering. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering wegens onvoldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Uitspraak

10/5200 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 6 augustus 2010, 10/1628 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 29 juli 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. L.N. Foppen, werkzaam bij ARAG-Nederland, gevestigd te Leusden, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2011. Appellant is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door V.A.R. Kali.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante is in juni 2003 wegens klachten aan haar rechterarm en rechterschouder uitgevallen voor haar in een deeltijdse omvang van ongeveer 20 uur per week verrichte werkzaamheden als kredietadviseuse. Met ingang van 8 juni 2004 heeft het Uwv haar een uitkering toegekend ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
1.2. Bij besluit van 23 januari 2009 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 24 maart 2009 ingetrokken, op de grond dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid was afgenomen naar minder dan 15%.
1.3. Bij besluit van 17 juli 2009, hierna: het bestreden besluit, is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 januari 2009 ongegrond verklaard.
2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
2.2. Ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsartsen bij appellante niet te geringe medische beperkingen hebben aangenomen. Uit de rapporten van die artsen blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat zij op de hoogte waren van alle door appellante gestelde klachten. Appellante heeft geen medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat zij meer beperkingen zou hebben. Met betrekking tot de gestelde bijwerkingen van het medicijn Tramadol heeft de rechtbank overwogen dat van de zijde van appellante niet is toegelicht van welke bijwerkingen zij last zou hebben en welke beperkingen deze tot gevolg hebben. De rechtbank acht voldoende toegelicht door de bezwaarverzekeringsarts dat er geen aanleiding bestaat om vanwege het gebruik van dit medicijn arbeidsbeperkingen aan te nemen.
2.3. Ook heeft de rechtbank zich kunnen stellen achter de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. De rechtbank heeft, mede gezien de door de arbeidsdeskundigen gegeven toelichting bij de markeringen, geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat de functiebelasting van de drie bij de schatting in aanmerking genomen functies de voor appellante toegestane belastbaarheid zou overschrijden.
2.4. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat, indien appellante uitsluitend een auto met een automatische versnelling zou kunnen besturen, het aanschaffen van een dergelijke auto naar vaste rechtspraak geen voorziening is die niet in redelijkheid van een werkgever kan worden verlangd.
3. In hoger beroep heeft appellante staande gehouden dat de ernst van haar beperkingen is miskend. Zij wijst op de chronische pijnklachten aan haar schouders, armen en handen. Ook zou de glutenintolerantie waarmee zij te maken heeft voor ernstige pijnklachten zorgen. Voorts herhaalt zij haar stelling betreffende de bijwerkingen van het medicijn Tramadol. Appellante heeft de belastbaarheidsaspecten genoemd waarop zij naar eigen opvatting ten onrechte niet, dan wel onvoldoende, beperkt is geacht. Ten slotte heeft appellante per functie aangegeven dat en waarom zij niet in staat kan worden geacht de bij die functie behorende werkzaamheden te verrichten.
4.1. De Raad stelt vast dat wat appellante in hoger beroep heeft doen aanvoeren een herhaling is van de al in eerdere stadia van de procedure naar voren gebrachte gronden. De Raad kan zich volledig vinden in de overwegingen en het daarop gebaseerde oordeel waartoe de rechtbank ten aanzien van die gronden is gekomen.
4.2. Naar aanleiding van wat daarover in hoger beroep van de zijde van appellante is gesteld, voegt de Raad daar nog aan toe dat bezwaarverzekeringsarts Van Paridon in een bij het verweerschrift gevoegd rapport van 24 november 2010 nog eens uitvoerig heeft uiteengezet waarom ook de glutenintolerantie en het gebruik van het medicijn Tramadol niet leiden tot het moeten aannemen van meer arbeidsbeperkingen dan de beperkingen die voor appellante zijn vastgelegd in de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 16 augustus 2007. De Raad heeft geen aanknopingspunten om die uiteenzetting niet voor juist te houden.
4.3. Ook voor het overige is aan de Raad niet kunnen blijken van gronden om de medische grondslag van het bestreden besluit onjuist te achten. De Raad heeft daarbij mede in aanmerking genomen dat appellante haar eigen opvatting over omvang en ernst van haar beperkingen ook in hoger beroep niet nader aan de hand van medische gegevens heeft onderbouwd.
4.4. Ten slotte merkt de Raad in dit verband nog op dat hij appellante evenmin volgt in haar stelling dat in de FML ten onrechte geen beperking is opgenomen voor het rijden in een auto met handgeschakelde versnellingsbak. Indien appellante al zou moeten worden gevolgd in haar opvatting dat zij op medische gronden niet in staat is in een handgeschakelde auto te rijden, geldt immers dat, naar de rechtbank met juistheid heeft overwogen, de aanschaf van een auto met automatische versnellingsbak geen voorziening is die niet in redelijkheid van een werkgever valt te vergen, in verband waarmee een dergelijke beperking geen relevante arbeidsbeperking meebrengt die in de FML dient te worden opgenomen.
4.5. Met betrekking tot de door appellante in hoger beroep gehandhaafde bezwaren tegen de bij de schatting betrokken functies, volstaat de Raad, onder verwijzing naar het bij het verweerschrift gevoegde rapport van bezwaararbeidsdeskundige Prosée, met de overweging dat door arbeidsdeskundige Arnold bij rapport van 21 januari 2009 en door bezwaararbeidsdeskundige Prosée van 13 december 2010 bij rapporten van 16 juli 2009 en 2 september 2009, in samenhang bezien, overtuigend is beargumenteerd dat en waarom die functies, ook op de door appellante bekritiseerde belastingaspecten, geacht moeten worden in medisch opzicht binnen haar bereik te liggen.
4.6. Uit het overwogene onder 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Er zijn geen termen voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2011.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) E. Heemsbergen
EV