ECLI:NL:CRVB:2011:BR3509
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende medische en arbeidskundige grondslag
Appellante ontving sinds 2004 een WAO-uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, veroorzaakt door klachten aan haar rechterarm en rechterschouder. In 2009 trok het UWV deze uitkering in omdat de arbeidsongeschiktheid was afgenomen tot minder dan 15%. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze intrekking ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de medische en arbeidskundige rapporten voldoende waren en appellante onvoldoende medische informatie had aangeleverd om meer beperkingen aan te tonen.
In hoger beroep herhaalde appellante haar klachten over chronische pijn en bijwerkingen van medicatie, en stelde zij dat zij niet in staat was om bepaalde functies uit te oefenen. De Raad stelde vast dat deze gronden reeds in eerdere procedures waren aangevoerd en dat de medische en arbeidskundige rapporten, waaronder een aanvullend rapport van een bezwaarverzekeringsarts, de beperkingen adequaat in kaart brachten.
De Raad oordeelde dat appellante haar eigen opvattingen over haar beperkingen niet met medische gegevens had onderbouwd. Ook de stelling dat zij alleen een auto met automatische versnelling kan besturen, leidde niet tot een andere beoordeling, omdat de aanschaf van een dergelijke auto redelijkerwijs van een werkgever kan worden verlangd.
Gezien deze overwegingen verklaarde de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep ongegrond en bevestigde de intrekking van de WAO-uitkering. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering wegens onvoldoende medische en arbeidskundige grondslag.