ECLI:NL:CRVB:2011:BR3511
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering toeslag wegens inkomen echtgenote bij WAO-uitkering
Appellant ontving een toeslag op zijn WAO-uitkering, die door het UWV met terugwerkende kracht per 10 juli 2007 werd beëindigd nadat bleek dat zijn echtgenote circa € 600 per maand verdiende. Vervolgens werd een bedrag van € 2725,65 teruggevorderd als onverschuldigd betaalde toeslag.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het voor appellant duidelijk had moeten zijn dat het inkomen van zijn echtgenote gevolgen kon hebben voor de toeslag. Het beroep op het vertrouwensbeginsel en een dringende reden werd verworpen.
In hoger beroep handhaaft appellant zijn stellingen over goede trouw en beperkte financiële draagkracht. De Raad volgt appellant niet en bevestigt dat er geen sprake is van een bijzonder geval dat strikte toepassing van artikel 20 TW Pro zou verhinderen. Ook het beroep op dringende redenen faalt.
De Raad concludeert dat de terugvordering terecht is en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van de toeslag en wijst het hoger beroep van appellant af.