ECLI:NL:CRVB:2011:BR3514
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Weigering herziening WAO-uitkering wegens andere ziekteoorzaak Morbus Bechterew
Appellant, die aanvankelijk een WAO-uitkering ontving wegens psychische klachten, verzocht om herziening van deze uitkering nadat bij hem de diagnose Morbus Bechterew werd gesteld. Het UWV weigerde de herziening op grond van artikel 43a van de WAO, omdat de beperkingen door Morbus Bechterew niet voortvloeien uit dezelfde ziekteoorzaak als de oorspronkelijke uitkering.
In bezwaar en bij de rechtbank werd dit standpunt bevestigd. De rechtbank oordeelde dat appellant onvoldoende medisch had onderbouwd dat de psychische beperkingen mede het gevolg waren van Morbus Bechterew. Ook stelde de rechtbank dat appellant zich tot het UWV kon wenden voor een beoordeling indien hij meende dat de arbeidsongeschiktheid eerder was ingetreden.
In hoger beroep voerde appellant aan dat fysieke klachten al eerder bestonden en vroeg om een onafhankelijk onderzoek. De Raad overwoog dat het UWV voldoende had aangetoond dat de oorspronkelijke uitkering gebaseerd was op psychische problematiek zonder fysieke beperkingen. Het louter bestaan van fysieke klachten zonder beperkingen in eerdere beoordelingen is onvoldoende om te spreken van dezelfde ziekteoorzaak.
De Raad concludeerde dat de beperkingen door Morbus Bechterew een andere ziekteoorzaak vormen en bevestigde de geweigerde herziening van de WAO-uitkering. Een onafhankelijk onderzoek werd niet noodzakelijk geacht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De herziening van de WAO-uitkering wordt geweigerd omdat de beperkingen door Morbus Bechterew een andere ziekteoorzaak vormen dan waarvoor de oorspronkelijke uitkering werd genoten.