ECLI:NL:CRVB:2011:BR3516

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 juli 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-5517 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van rechtbankuitspraak inzake medische grondslag WAO-uitkeringsbesluit

Appellante, voormalig medewerkster postsortering, ontving sinds 1996 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Na herziening in 2007 werd haar uitkering aangepast naar een lagere mate van arbeidsongeschiktheid, wat zij betwistte. De rechtbank Amsterdam vernietigde het besluit van 16 november 2007 vanwege onvoldoende toelichting op de arbeidskundige geschiktheid van functies.

Het UWV motiveerde nadien de geschiktheid van functies opnieuw, waarna de rechtbank het beroep tegen dit nieuwe besluit ongegrond verklaarde. Appellante richtte haar hoger beroep vooral op de medische grondslag, zonder nieuwe arbeidskundige gronden aan te voeren.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de medische grondslag reeds onherroepelijk is vastgesteld door eerdere uitspraak van de rechtbank waartegen geen hoger beroep is ingesteld. Zonder nieuwe medische gegevens kan het hoger beroep niet slagen. Daarom wordt het bestreden besluit gehandhaafd en het hoger beroep verworpen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank Amsterdam bevestigd.

Uitspraak

10/5517 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 augustus 2010, 09/3989 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 29 juli 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M. Rijser, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2011. Voor appellante is verschenen mr. Rijser. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Dijkstra.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellante is werkzaam geweest als medewerkster postsortering. Na het doorlopen van de wettelijke wachtperiode is zij met ingang van 2 januari 1996 in aanmerking gebracht voor onder meer een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 25 januari 2007 is de WAO-uitkering per 11 maart 2007 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% vanwege geschiktheid voor passende arbeidsmogelijkheden. In de daarop gevolgde bezwaarschriftprocedure zijn de beperkingen van appellante vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 6 juni 2007. Aansluitend heeft bezwaararbeidsdeskundige M.J.M. Boers een van de voorgehouden functies laten vervallen op grond waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 25 tot 35%. Bij besluit op bezwaar van 16 november 2007 is het bezwaar gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid per 11 maart 2007 dienovereenkomstig vastgesteld.
2. De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 8 mei 2009, 08/1, het namens appellante tegen het besluit van 16 november 2007 ingediende beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank de medische grondslag van het besluit van 16 november 2007 bevestigd en ten aanzien van de arbeidskundige grondslag overwogen dat het Uwv de geschiktheid van de geselecteerde functies onvoldoende heeft toegelicht. Beide partijen hebben in deze uitspraak berust.
3. Op 7 juli 2009 heeft bezwaararbeidsdeskundige J.G. Grothe voor een nadere motivering ten aanzien van de geschiktheid van de voorgehouden functies zorg gedragen. Bij besluit van 20 juli 2009 (verder: bestreden besluit) is de indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35% per 11 maart 2007 gehandhaafd.
4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat een aantal beroepsgronden is gericht tegen de FML van 6 juni 2007 en heeft deze gronden, onder overweging dat de medische grondslag van het bestreden besluit na de uitspraak van de rechtbank van 8 mei 2009, waarin door beide partijen werd berust vaststaat, onbesproken gelaten. Wat betreft de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank overwogen dat er geen specifiek arbeidskundige grieven naar voren zijn gebracht. Hetgeen overigens ten aanzien van de (medische) geschiktheid van de voorgehouden functies is aangevoerd, mist naar het oordeel van de rechtbank - in het licht van de als vaststaand aan te merken FML van 6 juni 2007 - relevantie.
5. Uit het hoger beroepschrift en het verhandelde ter zitting is de Raad gebleken, dat ook het hoger beroep zich richt op de medische grondslag van het bestreden besluit en dat er geen specifiek arbeidskundige gronden zijn geformuleerd. Appellante stelt zich op het standpunt dat, nu in haar visie in de FML van 6 juni 2007 onvoldoende rekening is gehouden met de bestaande beperkingen en de voorgehouden functies hierop zijn gebaseerd, zij niet tot het vervullen van die functies in staat kan worden geacht.
6.1. De Raad oordeelt als volgt.
6.2. De Raad overweegt dat in de uitspraak van de rechtbank van 8 mei 2009 de gronden van appellante met betrekking tot de medische grondslag van het besluit van 16 november 2007 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen. Dit betekent dat, nu appellante tegen deze uitspraak geen hoger beroep heeft indiend, volgens vaste rechtspraak van de Raad - waarbij bijvoorbeeld verwezen wordt naar een uitspraak van 1 maart 2005, LJN AT0711 - van de juistheid van die grondslag moet worden uitgegaan en deze grieven, zoals de rechtbank in de aangevallen uitspraak terecht heeft geoordeeld, thans niet meer ter beoordeling staan. Dit kan uitzondering leiden in het zich hier niet voordoende geval dat er sedert de uitspraak van 8 mei 2009 nieuwe medische gegevens naar voren zijn gekomen die een ander licht werpen op de gezondheidssituatie van appellante, zoals die in de uitspraak is beoordeeld. Nu in hoger beroep uitsluitend de medische grondslag van het bestreden besluit is aangevochten alsmede - aan die gronden gekoppeld - de geschiktheid van de functies in medisch opzicht en uitdrukkelijk geen arbeidskundige grieven naar voren zijn gebracht, komt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2011.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) E. Heemsbergen.
EV