ECLI:NL:CRVB:2011:BR4090
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening hulp bij het huishouden wegens onvoldoende medewerking
Verzoeker ontving op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een voorziening voor hulp bij het huishouden (HV) vanwege lichamelijke en psychische beperkingen. Zijn echtgenote en twee inwonende zonen konden de benodigde zorg niet volledig bieden. Na een verlengingsverzoek in 2010 weigerden de zonen mee te werken aan een medisch onderzoek en weigerde verzoeker een huisbezoek door het college.
Het college stelde het recht op HV buiten behandeling vanwege het ontbreken van noodzakelijke medische informatie over de zonen. De rechtbank vernietigde dit besluit omdat het college onvoldoende onderzoek had verricht, onder meer door geen informatie bij de huisarts op te vragen. Het college stelde vervolgens een nieuw besluit op bezwaar vast, waarbij het opnieuw het recht op HV afwees vanwege onvoldoende medewerking van verzoeker en zijn zonen.
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college terecht het recht op HV niet kon vaststellen gezien de weigering tot medewerking. De verantwoordelijkheid voor het huishouden ligt primair bij de leefeenheid, waarbij huisgenoten medeverantwoordelijkheid dragen. De voorlopige voorziening werd daarom afgewezen, en het besluit van het college werd in stand gehouden.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat verzoeker en zijn zonen onvoldoende medewerking verleenden aan het noodzakelijke onderzoek.