ECLI:NL:CRVB:2011:BR4117

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 augustus 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-2567 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewetuitkering na medisch oordeel geschiktheid voor WAO-functies

Appellante, die sinds december 1998 arbeidsongeschikt was wegens psychische klachten en een WAO-uitkering ontving, meldde zich in mei 2009 ziek met maag-, rug- en psychische klachten. Na onderzoek door een bedrijfsarts op 14 augustus 2009 werd vastgesteld dat zij per 24 augustus 2009 geschikt was voor arbeid binnen de WAO-functies. Het UWV beëindigde daarop haar Ziektewetuitkering per die datum.

Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV werd afgewezen op basis van een rapport van een bezwaarverzekeringsarts. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordelend dat het medische onderzoek zorgvuldig was en het oordeel over haar beperkingen afgewogen.

In hoger beroep bevestigt de Raad dat onder de Ziektewet de maatstaf voor arbeidsongeschiktheid de laatstelijk verrichte arbeid is, tenzij na de maximale uitkeringsduur blijkt dat de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de WAO-functies. De Raad sluit zich aan bij het oordeel dat appellante geschikt is voor functies als sorteerder, inpakker en soldering technician.

De Raad ziet geen medische gronden voor een toename van beperkingen en acht het medisch onderzoek en de motivering van het UWV voldoende. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en er is geen reden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.

Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellante wordt beëindigd per 24 augustus 2009 omdat zij geschikt is voor ten minste één van de WAO-functies.

Uitspraak

10/2567 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 28 april 2010, 09/6590 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 3 augustus 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.P. de Witte, advocaat te ’s-Gravenhage hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Nadat partijen daartoe toestemming hebben gegeven, heeft de Raad bepaald een nadere zitting achterwege te laten en heeft hij het onderzoek gesloten op 29 juni 2011.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellante is in december 1998 uitgevallen met psychische klachten voor haar werk als tuinbouwmedewerkster. Op grond van die klachten is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
2. Op 11 mei 2009 heeft appellante zich vanuit de situatie dat zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving ziek gemeld met maagklachten. Naderhand was ook sprake van rugklachten en psychische klachten. Op 14 augustus 2009 is appellante onderzocht door een bedrijfsarts, die op basis van eigen onderzoek heeft geconcludeerd dat appellante per 24 augustus 2009 weer geschikt is voor haar arbeid, te weten één van de in het kader van de WAO-beoordeling aan appellante voorgehouden functies. Bij besluit van 17 augustus 2009 is appellantes uitkering krachtens de Ziektewet (ZW) met ingang van 24 augustus 2009 beëindigd. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
3. Bij besluit van 10 september 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 17 augustus 2009 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport ten grondslag van de bezwaarverzekeringsarts R. Blanker van 8 september 2009.
4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat het medische onderzoek zorgvuldig was verricht en de (bezwaar)verzekeringsartsen daardoor tot een afgewogen oordeel omtrent appellantes beperkingen konden komen.
5. Met betrekking tot hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.
5.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Naar de Raad reeds bij herhaling heeft overwogen dient onder ‘zijn arbeid’ in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt volgens vaste jurisprudentie van de Raad echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Inmiddels heeft de Raad al meerdere malen uitgesproken dat in dergelijke gevallen van ongeschiktheid in de zin van de ZW geen sprake is indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die ten grondslag hebben gelegen aan de schatting in het kader van de WAO.
5.2. De Raad staat derhalve voor de beantwoording van de vraag of hij zich kan stellen achter het oordeel van de rechtbank dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante met ingang van 24 augustus 2009 in elk geval niet (langer) ongeschikt moet worden geacht voor één van de aan haar in het kader van de WAO-beoordeling voorgehouden functies, te weten sorteerder, inpakker en soldering technician.
5.3. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Met de rechtbank acht de Raad door appellante niet aannemelijk gemaakt dat, in vergelijking met de gezondheidstoestand van appellante voor de ziekmelding, nog (langer) van een toename van appellantes beperkingen sprake is. In de voorhanden zijnde medische informatie ziet de Raad geen grond voor een andersluidend oordeel. De bevindingen en conclusies van de bezwaarverzekeringsarts Blanker kunnen naar het oordeel van de Raad het bestreden besluit dragen.
5.4. Ook ziet de Raad geen aanleiding de wijze van oordeelsvorming door de rechtbank voor onjuist te houden. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het bij een beroep tegen een besluit als het onderhavige gaat om de vraag of betrokkene als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte per de datum in geding verhinderd is de in aanmerking komende arbeid te vervullen. Naar het oordeel van de Raad is het bestreden besluit gebaseerd op een zorgvuldig medisch onderzoek en is het genoegzaam draagkrachtig gemotiveerd. In hetgeen door appellante hieromtrent in hoger beroep is aangevoerd, ziet de Raad geen grond voor een andersluidend oordeel.
6. De Raad concludeert dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst in tegenwoordigheid van
M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2011.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) M.A. van Amerongen.
RK