ECLI:NL:CRVB:2011:BR4119
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J. Riphagen
- N.J.E.G. Cremers
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ziekengeld wegens te verwachten uitval bij fibromyalgie
Appellante was werkzaam als verkoopster met voornamelijk staand en lopend werk, maar was vanwege fibromyalgie bij aanvang van haar dienstbetrekking al zodanig beperkt dat zij niet een volledige werkdag staand-lopende werkzaamheden kon verrichten. Het UWV beëindigde haar ziekengeld op grond van artikel 44 Ziektewet Pro omdat haar uitval te verwachten was.
De rechtbank vernietigde het besluit wegens een formele fout in de datum van weigering, maar oordeelde inhoudelijk dat het UWV bevoegd was het ziekengeld te weigeren omdat uit de medische gegevens met grote mate van zekerheid kon worden afgeleid dat appellante binnen een half jaar ongeschikt zou zijn voor het werk.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel en stelde vast dat het beleid van het UWV niet aan de weigering in de weg stond, ook niet omdat appellante korter dan drie maanden had gewerkt. De Raad vond dat appellante bij aanvang van de dienstbetrekking een onjuiste inschatting had gemaakt en bevestigde het bestreden besluit.
Er werden geen proceskosten aan appellante toegekend. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 3 augustus 2011.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht het ziekengeld heeft beëindigd wegens te verwachten uitval.