ECLI:NL:CRVB:2011:BR4157

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 juli 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-4924 ZVW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMEG-Verordening 1408/71
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging voorlopige vaststelling Zvw-bijdrage voor woonachtige in Spanje over 2007

Appellant, woonachtig in Spanje en AOW-pensioengerechtigde, maakte bezwaar tegen de voorlopige vaststelling van zijn Zorgverzekeringswet (Zvw)-bijdrage over 2007 door het College voor zorgverzekeringen (Cvz). Cvz had de bijdrage vastgesteld op €537 en verklaarde het bezwaar ongegrond, stellende dat Nederland op grond van EG-Verordening 1408/71 de medische kosten draagt omdat Nederland het AOW-pensioen betaalt.

De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, onder meer omdat het bezwaar geen verband hield met het primaire besluit en de beslistermijn niet was overschreden. Appellant voerde in hoger beroep aan dat Cvz ten onrechte zijn AWBZ-bijdrage had beëindigd per 1 januari 2006 en vorderde restitutie van betaalde bijdragen, verwijzend naar een arrest van het gerechtshof.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het hoger beroep zich slechts richt op de Zvw-bijdrage over 2007 en dat appellant geen gronden had ingebracht tegen de voorlopige vaststelling. De Raad onderschreef de overwegingen van de rechtbank en bevestigde de aangevallen uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de voorlopige vaststelling van de Zvw-bijdrage van appellant over 2007 op €537.

Uitspraak

10/4924 ZVW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (Malaga, Spanje) (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 juli 2010, 09/2632 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College voor zorgverzekeringen (hierna: Cvz)
Datum uitspraak: 27 juli 2011
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Cvz heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2011. Appellant is niet verschenen. Cvz heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.G. van den Wissel en mr. R. Roelse, beiden werkzaam bij Cvz.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant, die een pensioen ontvangt op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW), is woonachtig in Spanje en blijkens een zich onder de gedingstukken bevindend formulier E121 sinds 9 oktober 2000 ingeschreven bij het Instituto Nacional de la Seguridad Social, het orgaan in Spanje dat medische zorg levert aan appellant ten laste van Nederland.
1.2. Bij besluit van 21 november 2008 heeft Cvz een voorlopige jaarafrekening inzake de Zorgverzekeringswet (Zvw) aan appellant gezonden, waarbij de verschuldigde bijdrage ingevolge de Zvw over het jaar 2007 is vastgesteld op € 537,--. Het door appellant tegen het primaire besluit ingediende bezwaar heeft Cvz bij besluit van 3 juni 2009 ongegrond verklaard. Cvz heeft aangegeven dat Nederland op grond van de EG-Verordening 1408/71 de kosten van de medische zorg van appellant draagt, omdat Nederland het AOW-pensioen van appellant betaalt. Appellant is dan een Zvw-bijdrage verschuldigd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 3 juni 2009 ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het bezwaar van appellant geen verband houdt met het primaire besluit, zodat verweerder het bezwaar terecht ongegrond heeft verklaard. Anders dan appellant is de rechtbank voorts van oordeel dat overschrijding van de beslistermijn er niet toe leidt dat het primaire besluit geen rechtskracht heeft. Evenmin is volgens de rechtbank sprake van schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, omdat de behandeling van het bezwaar niet langer dan een half jaar geduurd heeft en de behandeling van het beroep niet langer dan anderhalf jaar. De rechtbank heeft daartoe verwezen naar een uitspraak van de Raad (LJN BH1009).
3.1. Appellant heeft in hoger beroep verwezen naar hetgeen hij in beroep heeft aangevoerd. Kort gezegd komt het erop neer dat appellant meent dat Cvz ten onrechte met ingang van 1 januari 2006 zijn AWBZ-bijdrage heeft beëindigd. Verder vordert hij restitutie van Cvz tot een bedrag van € 150.000,-- aan betaalde AWBZ-bijdragen tot 1 januari 2006. Appellant verwijst ten slotte naar een arrest van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 15 juli 2010, zaaknummer 09/00452, inzake de vaststelling van het wereldinkomen, het verzamelinkomen in Nederland en het niet in Nederland belastbaar inkomen van appellant.
3.2. Cvz heeft in verweer betoogd dat de verwijzing naar de uitspraak van het gerechtshof voor het onderhavige hoger beroep geen doel treft. Ook overigens is Cvz van oordeel dat het hoger beroep ongegrond is.
4.1. De Raad stelt vast dat het bestreden besluit alleen betrekking heeft op de heffing van een bijdrage op grond van de Zvw over het jaar 2007. De omvang van het geding is derhalve beperkt tot de vraag of Cvz over het jaar 2007 terecht de bijdrage van appellant (voorlopig) heeft vastgesteld op € 537,--. Tegen deze voorlopige vaststelling heeft appellant geen gronden ingebracht. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat Cvz het bezwaar van appellant terecht ongegrond heeft verklaard. De Raad onderschrijft de aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag gelegde overwegingen.
4.2. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.M.T. Berkel-Kikkert als voorzitter en H.J. de Mooij en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2011.
(get.) G.M.T. Berkel-Kikkert.
(get.) J. van Dam.