ECLI:NL:CRVB:2011:BR4500
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.F. Bandringa
- H.D. Stout
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging bijstandsuitkering wegens medebewoning dochter met eigen inkomen
Appellanten ontvingen bijstand sinds 1996 en werden geconfronteerd met een herziening en terugvordering van bijstand over de periode 1998 tot 2006 vanwege medebewoning van hun dochter [G.] met een eigen inkomen boven 35% van het netto minimumloon. Het College stelde dat de dochter haar hoofdverblijf had in de woning van appellanten, wat leidde tot een verlaging van de bijstand met 10%.
Appellanten voerden aan dat hun dochter in de betwiste periode niet bij hen woonde maar elders, maar de Raad vond de onderzoeksbevindingen, waaronder een onaangekondigd huisbezoek waarbij de dochter in pyjama werd aangetroffen en getuigenverklaringen van buren, overtuigend bewijs voor medebewoning. De dochter weigerde bovendien medewerking aan een huisbezoek op het andere adres, en eerdere verklaringen stroken niet met haar latere stellingen.
De Raad concludeerde dat het College terecht de bijstand heeft verlaagd en de terugvordering heeft ingesteld. Het hoger beroep van appellanten werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De verlaging van de bijstandsuitkering met 10% wegens medebewoning van de dochter wordt bevestigd.