ECLI:NL:CRVB:2011:BR4718

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 augustus 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/3828 ZW + 09/3835 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:18 AwbArt. 8:75 AwbArt. 19 lid 5 ZWArt. 93 ZW
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ziekengeld wegens geschiktheid voor eigen werk als conciërge bevestigd

Appellant was werkzaam als conciërge en meldde zich ziek vanwege knie- en rugklachten. Na eerdere afwijzing van WAO-uitkering werd hem op 20 februari 2008 en 17 november 2008 door het UWV het recht op ziekengeld ontzegd omdat hij niet ongeschikt werd geacht voor zijn werk.

De bezwaarverzekeringsarts voerde zorgvuldig medisch onderzoek uit en concludeerde dat de beperkingen van appellant niet waren toegenomen sinds 2004. Het door appellant ingebrachte aanvullende medische rapport bood geen aanleiding tot een andere conclusie.

Appellant stelde dat het UWV onvoldoende had onderzocht of hij geschikt was voor soortgelijk werk bij een andere werkgever, maar de Raad oordeelde dat volgens de wet alleen de kenmerkende onderdelen van het laatst verrichte werk relevant zijn en dat er geen aanwijzingen zijn dat regulier conciërgewerk te zwaar is.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de eerdere uitspraken en zag geen reden tot toekenning van proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld omdat hij geschikt is voor zijn werk als conciërge.

Uitspraak

09/3828 ZW, 09/3835 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraken van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 3 juni 2009, 08/5170 en 09/1331 (hierna: de aangevallen uitspraak),
in de gedingen tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 10 augustus 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.M.M. Brouwer, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2011. Appellant is verschenen bij gemachtigde mr. Brouwer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.L. van Beek.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellant is laatstelijk via de [naam Stichting] werkzaam geweest als conciërge op een basisschool. Op 28 augustus 2003 is hij wegens knie- en rugklachten ongeschikt geworden voor zijn arbeid. Met ingang van 28 augustus 2004 is aan appellant geen uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, omdat hij niet ongeschikt werd geacht voor zijn werk als conciërge. Bij uitspraak van 4 april 2008 (05/5873 WAO en 05/6504 WAO) heeft de Raad het beroep van appellant tegen het terzake met toepassing van artikel 6:18 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgegeven besluit op bezwaar van 3 oktober 2005 ongegrond verklaard.
2. Appellant heeft zich op 15 augustus 2007 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ziek gemeld. Bij besluit van 18 februari 2008 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 20 februari 2008 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij niet ongeschikt wordt geacht voor zijn arbeid. Bij besluit van 3 juni 2008 (bestreden besluit 1) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 februari 2008 ongegrond verklaard.
3. Op 1 oktober 2008 heeft appellant zich opnieuw ziek gemeld vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de WW. Bij besluit van 13 november 2008 is aan appellant met ingang van 17 november 2008 geen ziekengeld meer toegekend, omdat hij niet ongeschikt wordt geacht voor zijn arbeid. Bij besluit van 15 januari 2009 (bestreden besluit 2) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 november 2008 ongegrond verklaard.
4. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank het beroep tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij haar oordeelsvorming doorslaggevende betekenis toegekend aan de door bezwaarverzekeringsarts
R.A. Admiraal uitgebrachte rapporten, te weten dat van 16 mei 2008 inzake bestreden besluit 1 en dat van 14 januari 2009 inzake bestreden besluit 2.
5.1. De Raad verenigt zich in beide zaken met het oordeel van de rechtbank en heeft terzake het volgende overwogen.
5.2. Ook naar het oordeel van de Raad heeft voornoemde bezwaarverzekeringsarts een zorgvuldig onderzoek ingesteld. Gelet op de bevindingen van deze arts, zoals weergegeven in diens rapporten van 16 mei 2008 en 14 januari 2009, en de beschikbare informatie van de behandelend sector heeft de bezwaarverzekeringsarts naar het oordeel van de Raad op goede gronden geconcludeerd dat de medische beperkingen van appellant zowel in fysiek als in psychisch opzicht op de beide data hier in geding, 20 februari 2008 en 17 november 2008, vergeleken met zijn toestand op 28 augustus 2004 niet zijn toegenomen. In zijn rapport van 14 januari 2009 heeft de bezwaarverzekeringsarts verder naar het oordeel van de Raad afdoende overtuigend uiteengezet dat het door appellant ingebrachte rapport van ‘Salto’ van 4 augustus 2008 geen medische gegevens bevat die leiden tot de conclusie dat appellant op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten ongeschikt moet worden geacht voor zijn werk als conciërge. De Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd dan ook geen reden om te twijfelen aan de conclusie van voornoemde bezwaarverzekeringsarts.
5.3. De Raad kan appellant niet volgen in zijn standpunt dat de bestreden besluiten niet zorgvuldig zijn voorbereid en tot stand gekomen, omdat het Uwv niet heeft onderzocht of appellant in staat is te achten tot werk als conciërge bij een soortgelijke werkgever. Ingevolge artikel 19, vijfde lid, van de ZW, dat gelet op artikel 93 van Pro de ZW alleen van toepassing is op het ziektegeval van 1 oktober 2008, dienen in een geval als het onderhavige die onderdelen van het laatstelijk verrichte werk buiten beschouwing te worden gelaten, die daar gewoonlijk niet kenmerkend voor zijn. Gelet op het medische feitencomplex, zoals weergegeven in voormelde verzekeringsgeneeskundige rapporten, ziet de Raad geen grond voor de stelling van appellant dat reguliere werkzaamheden als conciërge bij een basisschool in zijn algemeenheid voor hem te zwaar zijn.
6. Uit hetgeen is overwogen onder 5.1 tot en met 5.3 volgt dat de aangevallen uitspraken moeten worden bevestigd.
7. De Raad acht geen gronden aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraken.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2011.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) N.S.A. El Hana.
EV